naar het clubhuis gefietst, om daar te gaan nakyken, waarom niet, wat er zich daar wél nog en/of niet meer in de diepvriezer wist. doch exact evengoed was die excursie maar gewoon, lezers, een uitvlucht, naar jullie begrypen, om myn benen eens even te strekken. en om daartydens myn stuntpoëzie te kunnen opzeggen.
nog àltyd is die "zevende lotus", deze hymne, niet helemààl klaar - maar toch merk ik, hoe er inmddels reeds als eindelyk een geestelyke ruimte is beginnen vry te komen, om, tussendoor zodus, in het slop geraakt oud werk te beginnen te heropfrissen. "bambi was een bofkont", "aardvark at graâg kwark". het zomerse weêr is goddelyk, en het moreel staat redelyk scherp. niet overdréven scherp maar wel toch redelyk scherp.
kill all mosquitoes.
exemplaren van het nep-stikker-boek in enveloppen aan het steken geweest, en verder aan het klaarmaken geweest voor verzending. daaruit dan echter weêr vandaan getelephoneerd: door myn zoon rocco, voluit rocco james conan, die, om de sport, naar het skate-park was - maar die, zag hy dààr pas, zyn centen was vergeten. zodat hy daar niet binnen kon. opnief kik op de fiets gesprongen.
eens daar dan maar, o vaderschap, op een stoel gaan zitten, om er een tydje lang zyn prachtige stuntwerk te kunnen bekyken. hy kan alles dat hy maar wil, dus hy kan ook erg goed skateboarden.
in de vooravond met de geruisloze, nieuwe, hoog gebouwde auto naar een dorp gereden, dat als het kon luisteren, zou luisteren naar de naam "lint", by boechout. gisteren was mollie daar by een vriendon blyven logeren, vandaag was zy tot het ontzettende inzicht gekomen dat ze haar twee slaapknuffels daar was vergeten. zo erg is zy aan die pluchen dieren gehecht: dat ikzelf daarvoor, naderhand, een anderhalf uur lang door de warme drukte kan chaufferen. omdat ze anders niet kan slapen, toch niet echt op haar gemak. je kan zeggen: "het blyven kinderen,"- maar: ik heb dit precies hetzelfde, maar dan, mutatis mutandis, in een nog veel ergere mate - met het standbeeldje van myn persoonlyke afgod, ad nêstor (zie: prent onder.)
goed, ik weet ook wel, vrienden, dat myn god, ad nêstor, natuurlyk onuitsprekelyk fel boven alles dat anekdotisch is, verheven staat. wat kan het een godheid schelen, of een beeldje van hem, dat maar van plastic is, in myn auto in antwerpen ligt, onder het dashboard, of anders op de bodem van de zeeën van sri lanka? maar tegelyk kan je zo'n zelfgemaakte god, by nader inzien, kneden en smeden naar je eigen toevallige goesting - dus: tegelyk is het toch wél van belang dat die iedere maandagnacht op een stapelbrand van citroenwierookstokjes in het clubhuis de tribune beschouwt, om, toverspreuken neuriënd, nog meer volk en nog meer succes af te dwingen.



























Geen opmerkingen:
Een reactie posten