door robertus baeken, vanuit de aardbeienvelden
43.
Om niet te vlug op de hoofdweg te geraken, waar de kans bestond dat Francis haar niet zou opmerken, laveerde Mieke in een slakkengangetje van de ene berm naar de andere. In de verte kwamen donkere brokken uit de hemel aanrollen. Maar hoe Mieke ook treuzelde: geen Francis! Ginds had je de ophaalbrug waarlangs zij naar huis zou keren. Haar oog viel op een bushokje met zitbank voor wachtende passagiers. Even uitblazen! Misselijk van de honger en verstijfd van de kou zat ze als een brokje ellende nu eens verveeld, dan weer vol ongeduld te wachten. Minuten kropen voorbij. Achter de bomen naast de rijweg naderde een ruiter. Zoals ze stilletjes had gevreesd, was het Martin. Doodsbenauwd door hem herkend te worden, sloeg ze de revers van haar overjas omhoog. Zijn hengst kwam in een drafje voorbij. Bij het kruispunt draaide hij zijn hoofd naar het bushokje en stak over.
Wat is er met me aan de hand, dat ik me voor de mensen wegstop? - raasde het door haar gedachten. Telkens er een auto naderde, haastte ze zich uit haar schuilplaats om de aandacht van de bestuurder te trekken. De mogelijkheid dat zij niet goed snik was, hield haar bezig. Zij bekeek de stereotype ernst van de autobestuurders tijdens het voorbijflitsten; of ze te maken had met een diagnose omtrent haar anders-zijn. Na dit gekkenspel keerde zij teleurgesteld weer naar haar plekje.
Het begon zuur te motregenen. In haar mond dreef er overtollig speeksel, dat ze snel doorslikte, wat weinig hielp. Opnieuw voelde zij de vloed tussen haar kaken aanzwellen, tot ze na al dat slikken een oprisping kreeg. Vóór Mieke kans zag tijdig naar buiten te rennen, stond ze gebogen kijkend naar een vies vocht dat met heftige stoten uit haar mond over het beton gutste. Daarmee had zij alle hoop Francis te zien, opgegeven. Want zure regen of niet, zij kon hier niet eeuwig blijven rondhangen.
Waar ze bij het passeren van het door Martin ingeslagen bospad werktuiglijk die kant opkeek, deed iets haar hevig schrikken. Het was de reusachtige, zwarte gedaante van een dier dat zij niet eerder had opgemerkt; wellicht juist doordat het zo roerloos tussen de struiken stond.
‘Dag juffrouw!’ Het olijke gezicht van Martin. Zijn rood haar hing in natte klissen tegen de schedel.
‘Je hebt me weer aan ‘t schrikken gebracht!’ Haar snauw in schril contrast met zijn vriendelijke stem.
‘Mijn broer zal vandaag niet komen! Je zat toch op hem te wachten, ginds in dat bushokje?’
‘Wat wou je zeggen?’
‘Hij is in Kleine-Brogel, waar hij zou deelnemen aan een betoging tegen de opstelling van kernwapens!’
‘Martin, je liegt me toch niks voor?’
‘Hoe kan ik dat weten? Luister naar de nieuwsberichten. Of lees de krant! Zal ik je naar huis rijden?’
‘Alsjeblief!’
Hij heeft al die tijd bovenop de rug van zijn paard op me gewacht, dacht Mieke. Hij heeft elke minuut, een heel uur lang, zoals ik, maar dan eerder met een blij gemoed, de tijd gemalen en de droefheid van het bestaan door zich heen voelen gaan. ‘Goed dat je hier bent,’ fluisterde ze met een brok in de keel. ‘Ik voel me zo verlaten… zo weemoedig!’
‘Wat mummel je daar?’ vroeg Martin in haar oor.
‘Niks!’
WORDT VERVOLGD...


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten