zondag 2 april 2017

smeulsmurf 6 knekelman 6

de kronieken
van de knekelman




feuilleton 
in 10 afleveringen


door don vitalski












6.
voor een kwart van één halve minuut staakte de kleine niels zyn pas. hy pakte my vast by één hand, alleen maar om met erg veel nadruk zyn meêdeling voor my nog eens te herhalen:"zie goed waar ik loop. we moeten superrap zyn. verlies my niet uit het oog."
    hy keek my aan in myn twee ogen. wat een schattige jonge kop, wat een vuur in die twee ogen, maar ook: wat een belhamel! verdomd, die pa was inderdaad heel erg fier op 'm.
    hy wachtte nog myn antwoord af, dus ik zei:"ja. ik heb je begrepen."
    hy draaide zich weêr om en rende weg. op een ogenblik deden er zich in het midden van deze corridor een afsplitsing voor; hy rende naar links; verderop was er een kruispunt: hy liep rechtdoor. ik liep evenééns rechtdoor, uiteraard - maar direct daarna had ik er al totààl geen idee meer van, waar die kleine niels ergens gebleven was. liep die nu voor me - of was die àchter my, in zo'n afsplitsende gang snel weggerend? geen idee! hoe kon dit!
    "niels!!..." riep ik fluisterend - een broêrtje van my ging dood, toen ikzelf acht was en dat kleinere broêrtje zeven; dàt broêrtje, kwam nu ineens in myn gedachten naar boven, terwyl myn eigen stemgluid:"niels!!... niels!!..." in tienduizend reproducties langs alle flanken begon te weêrklinken; "niels!!... niels!!..." het was m'n éigen stem - ik was hem kwyt - ik was helemaal in myn eentje: in het midden van het satanische labyrint terechtgekomen.
    vooruitlopen of achteruitlopen - dit had geen zin. je kon volstrekt niks doen. die jongen, die had gelyk: als je de vergelyking persé wilde maken: als die bubbels, waar ik toch tienduizenden platte doden gestorven was, verpulverd en verplet, als die bubbels de lagere school waren, het eerste studiejaar van de lagere school - dan waren deze labyrinten, waar ik nu was, een doctoraatsvrhandeling aan 'n universiteit.
    maar daarom juist, lezers, wilden-ik toch op geen enkele manier panikeren.
    ik was niet de eerste de beste.
    ik was iemand van het secretariaat.
    myn opdracht was, de indringer tot by de directeur te brengen.
    ik zette twee passen naar voren - zo rustig het my gegeven was, ademhalende. natuurlyk, zo dacht ik: eigenlyk was ik al zeer lang geleên helemaal opgehouden met werkelyk te bestaan. meteen die stormachtige zaterdagnacht, toen ik, komende van de zogenaamde circustrein, voor een glas water onderweg was naar de vallei van de hangenman, op de vlucht moest voor die krankzinnig stoet kannibalen, om vervolgens, niet ver van de leeuwkooi, rechtstreeks naar binnen te lopen in de muilen van die razzia; sindsdien was ik al niet meer in leven. dus: wat zou voor my deze laatste niéve foltering nog kunnen betekenen?
    ik zette overnieuw vier stappen naar voren. ik kwam uit op een laag overdekte kruispunt, een vierkant middenpunt tussenvier corridors om uit te kiezen. het laatste halfuur was er, overal waar we nog liepen, alsmaar meer stro op de grond te ontwaren geweest; aan de hand van de variërende hoeveelheden van dit stro, kon ik afleiden dat twee van deze vier gangen vaker gebruikt waren dan de andere twee; niet dat er "een spoor" door liep, maar er lag minder stro, en het mindere stro dat er toch wel present tekende, scheen iets meer in de zykanten van de corridor te liggen dan in het midden. dus ik moest zeker naar links of naar rechts. één van die twee gangen bracht my dichter by de verlossing, de andere stuurd my ervan weg. by wyze van compromis, bedacht ik dit volgende - een idee dat my ergens parallel scheen met een axioma van de prediker, die ooit uitsprak:"zelfs als jahwe niét bestaat, kan het toch geen kwaad om toch wél voor hem te bidden." zo liep ik nu resoluut de rechterkant uit - maar dan achteruitlopende; met zekerheid was nu ofwel, in ieder geval, één zyde van myn wezen bezig, de verlossing tegemoet te stappen, ofwel, met evenveel zekerheid, was toch één van myn zyden toch minstens doende, de verlossing toe te lachen. dit was erg slim van myzelf.
    op die manier achteruitstappende, gebeurden-het dat ik vanzelf weêr op de kleine niels stuitte. gelukkig!! zo begreep ik byna ademloos. in plaats van my, van dankbare opluchting, gewoon maar op myn knieën te werpen, greep ik overnieuw één van zyn handen beet. "goed gedaan," zei de kleine niels. "je was me kwyt - maar je hebt al een deel van de oplossing."
    hy rende weêr voort. ik volgde hem goed, ik geraakte hem niet meer kwyt. dit ging vanzelf. op den duur verloor hy ook tempo - "oké," zo becommentarieerden-'ie dit zelf. "we zyn in het labyrint."
    een rust kwam over hem - maar niet zonder dat 'ie zich precies tegelykertyd, dodelyk ernstig, liet worden overgenomen door een gestrenge, zuiver zintuiglyke concentratie. zyn stieren-oren spitsten zich. zyn stieren-ogen, zo zag je, schoten vlammen af in elke richting. als versteend stond 'ie zo te luisteren - naar god weet wat.
    "doe hier een koprol!"
    zo sprak hy.
     ik zette my op myn knieën - zo plechtig werkelyl, als het my gegeven was, bracht ik de my gevergde koprol te berde, maar dan zonder dat ik na die éérste koprol weêr kon stoppen; die eerst koprol ging vanzelf over in een tweede, in een derde, een vierde, ... terwyl dit gebeurde, herdacht ik myn arme moeder, wanneer die my eens vertelden-over de duivelskunsten van het geroemde slangenmen: hoe dat eieren verslindende sissende glibbergebroed de techniek verstond van, wat werd genoemd, het "leviteren"; dwz hoe dat wezen zich soms, omhoog gepord door de rookwolken van opgebrande kurk, dat verwerd tot ectoplasma, aan telekinese vergreep; misschien waren deze veelvuldige, byna ritueel aandoende koprollen iets dergelyks, een soort van levitatie.
    ik kwam weêr overeind, en liet de  droge, stinkende stromhalmen van my af dwarrelen, terwyl de kleine niels hard lachte. we waren, zo zag ik, gearriveerd by de minotaurus thuis. trixie, de gezellin van de minotaurus, was ermeê doende, iets naar voren te dragen dat by naêr inzien een enorm grote ketel was met daarn tomatensoep, of een andere soort van soep, maar alleszins was het groentensoep... de kinderen, veelal kalfjes met een mensenhoofd, zaten verlekkerd geschaard rond de houteren eettafel, en komende vanaf het bed, achter het scharlaken gordyn, in bloot bovenlyf maar met 'n jeans aan, kwam de minotaurus zelf my gedag zeggen.

kronieken 5 smeulsmurf 5

de kronieken
van de knekelman




feuilleton 
in 10 afleveringen


door don vitalski












5.
de kleine niels duwde my voort tot aan een zoveelste, aardeduistere spelonk vlak voor ons; een stenen doorweg, die my ontelbare vingerdikten te smal geleek om zelfs maar met je schedel voor een gedeelte door te geraken. maar die jongen duwde my op heel erg vreemde manier in myn rug - heel even dacht ik nog:"nu zit ik vast - voor altyd! dit is - het einde!" maar toen zag ik dat we, eerst ikzelf en daarna die jongen, waren terecht gekomen in een corridor die wel zeer smal was, maar waar je toch langs kon zonder je zyden te hoeven te schuren, en zelfs gemakkelyk hoog genoeg was om er helemaal in overeind te komen; we konden dus gewoon "wandelden", hierbinnen - zéér vreemd.
    "ik snap hier niks van," zei ik eerlyk. "wat zyn dit voor gangen? ik al die oneindige dagen die ik nu al heb doorgebracht in de bubbels, ben ik nooit eêr op zo'n gangen als deze mogen uitkomen. myn god!"
    "ik zei het al," sprak de kleine niels helemaal monter. "ik ben opgevoed in het labyrint. op myn derde levensjaar kon ik al, zonder de hulp, van m'n pa in dat labyrint worden achtergelaten - om er dan vanzelf weêr uit te komen, eerst met berekeningen, wat later door alleen maar m'n gevoelens te volgen. en - echt waar: vergeleken by het labyrint, zyn deze bubbels eenvoudigweg kinderspel."
   door de manier waarop 'ie dit vertelde, begon er diep in myn hart opeens een intense vorm van hoop te bloesemen - ik durfde dit gewoonweg niet uit te denken, maar zoals die kleine niels nu babbelde, wekten-'ie, vond ik, de stellige indruk (of was dit een wensdroom), dat hy deze bubbels gewoon kon in- en weêr uitlopen - en dat hy me dus, kortom, als met een handommedraai uit deze nachtmerrie weten te verlossen. ik durfde zoiets niet op de man af te vragen - er was aan die vraag iets obsceens, gewoon doordat ze eigenlyk téveel zou hebben geïmpliceerd. ik kon alleen maar knikken, ja zeggen, en die kleine stierenkop verder volgen.
    hy was érg snel ter pas - hoezer 'ie zich ook op zyn gemak wist in deze omgving op zich, voor het spook dat hem op de hielen zat,- de brigadiers, de kapiteins, de dalmatiërs -, was 'ie beducht. hy sprak aldoor:"hierlangs!" en dan weêr:"vlug! langs hier!"
    er kwam geen eind aan deze corridors. dus geleidelyk aan geraakte myn vraag wel beantwoord - maar dan zuiver en alleen door deze praktyk; deze tamelyk brede, oker gekleurde, twee meters hoog overdekte loopgangen - die waren al geen deel meer van die "bubbels"; met de kleine niels waren we daar, ongemerkt zelfs, reeds vandaan gevlucht. we bevonden ons al, leed geen twyfel, hals over kop en met lyf en leên, in dat vermelde labyrint.
    "nog één uurtje zo doorlopen," zei de kleine niels haastig, en die vinden ons nooit meer. plus," sprak die nog, "ze geraken ook zelf nooit meer buiten, haha!"
    overnieuw betrof dit van die jongen een uitroep, waarvan de consequenties onoverzienbaar. met als een gevolg, dat ik het maar uitstelde om myzelf zelfs maar de vraag voor te leggen - wat hy met die woorden nu heel juist kon hebben bedoeld. maar in myn hart, alweêr, wist ik het toch: hy was er in zyn ene jonge eentje wellicht in geslaagd, voor eens en voor altyd te hebben afgerekend: met de vliegende brigade. misschien niet met dat gehele bataljon - maar een afdeling ervan. god wéét iemand van de kapiteins, god wéét kapitein kaaiman of kapitein weêrwolf of commissaris pondi. dit was een knauw voor het klapstoeltjescommando - dit was een trap tegen satan zyn kont.
    "geraak my nu zeker," sprak de kleine niels, "geraak my nu zeker geen halve minuut uit het oog!!..."

WORDT VERVOLGD




de kronieken
van de knekelman




feuilleton 
in 12 afleveringen


door don vitalski








4.

by de meeste mensen en/of dieren, zelfs die van het circus, zou er vroeg of laat, maar geheid, na een soort van definitieve knak, of iets dergelyks, een moment zyn aangebroken waarop ze uitriepen, maar zonder hun mond daarby nog te bewegen:"tot hier!..." of:"het eindigt!..."
    wat dan vast een zeer speciaal ogenblik zou zyn, waarop, om het zo te stellen al hun verdere, laatst verhoopte, allermeest broze verbintenis met deze wereld, voor eens en al in het niet stortte. voor myzelf was het anders, lezers - en goed ook, want daarzonder, dwz zonder myn ànders-zyn op dit gebied, dus zonder myn byna bovenaardse dryfkracht, als ik het zeggen mag, zou nu ook niet, na al die jaren, dit belangryke verhaal zyn opgeschreven; maar, op dit eindpunt gekomen: niét volhardden-ik nog doordat ik, pakweg, myn vader en myn moeder nog probeerde trouw te blyven; eender hoe krachtig hun adviezen ook altyd geweest waren voor my, ook tot lang na ons afscheid; zelfs dié goedhartige twee wezens kwamen niet meer in my op, onderhand - zelfs myn eigenste goede moeder niet meer! maar wel, zuiver en alleen, als een technische methode, die het was, een techniek om niet écht, acuut, op bestelling van de krakenworm, in krankzinnigheid open te barsten, hield ik my, zelfs in het diepste van die smalle schachtjes, die ene, vreemde, op zich uiteraard zo luttele taak, die het was, voor myn geestesoog, onafgebroken - héél soms, byvoorbeeld naar zo'n zogenaamd "kamertje" klauterend, door zo'n trechter - dàn was er écht eventjes niks anders, dàn was het écht alleen maar een vechten om niet te stikken! maar àl die andere momenten by de bubbels, was er steeds dat ene, stompzinnige streefdoel:"naar de directeur! met: die indringer! ik moét, met die indringer by me - tot my de directeur zien te geraken!"
    hoeveel liefde en achting ik ook, in waarheid, van kindsbeen af was gewaarworden voor onze circusdirecteur: op dit moment in die kookputten, in die harde betonnen duistere "bubbels" aan het klapstoeltjes-commando, hier vermocht ik niet anders dan aan myn eigenste zelf toe te geven: zelfs dié man, de directeur, kan my nu nog een halve zak verdommen!" maar: als een methode, ik zei het al, bleef hy dus toch myn richtlyn. bleef hy dus toch myn enige kompas, uiteindelyk.
    en dat werd myn redding.
    één keer om de zoveel schrikkelweken viel het voor, dat je toch weêr in de hangar scheen te zullen gaan aanbelanden, waar de dans met de klapstoeltjes huishield, eender dag of nacht; toch was je dan bly - want: tenminste was je dan even uit de bubbels weg! allen die van de bubbels kwamen, wendden zich meteen tot die van de klapstoeltjes, als de bliksem biddend en smekend om van commando te wisselen - daar ging dan nooit iemand op in, behalve een ongekroond zotskap als ik, die, maar féitelyk met recht en reden, uitdacht:"ik moét iets proberen - iéts - éénder wat!!..."
    maar op een keer, tydens een gedurige ruggelingse kruipbeurt, helemaal naakt, m'n enig lang onderbroek niet meêgerekend, die ook verscheurd was tot op de draad, meende ik toch weêr zo'n zeker lichtinval tegemoet te zien, tezamen met openlucht die ik gewaardwerd, als van, in den hoge, zo'n uitweg op de hangar -"ik kom weêr uit by het commando," zo dacht ik. helaas: het was opnief zo'n "zitkamertje", waar echter een licht brandde, en waar,- zoals ik later merken, eens ik er binnen was geraakt -, waar zich, met die typische, korrelige lucht die daar byhoort vandien, een put aanmeldde, niét gehouwen in rots, maar met de hand uitgegraven in zand.
    uit dit zand kwam een kinderlyk wezen tevoorschyn, dat ik ooit al wel 'ns gezien had in de buurt van de grote grenobel, ik was er toen gelyk vanuit gegaan, en terecht dus ook, bleek nu, dat dit een flinke, gezonde zoon van hem betrof (aan de meeste andere kinderen van de minotaurus daarentegen, mankeerde toch altyd iéts.) deze gezwinde jongen, die wel veel groter was dan ikzelf, stelde zich aan my voor als "de kleine niels".  "de bubbels zyn een lachertje," zo sprak 'ie, "vergeleken by het labyrint. kom, ik zal je hier meteen uit weghelpen. kom, volg my - maar zeker niet treuzelen, we hebben de vliegende brigade van commissaris pondi achter ons aan...

WORDT VERVOLGD

kroniek 3 smeulsmurf 3

de kronieken
van de knekelman




feuilleton 
in 12 afleveringen


door don vitalski








3.
je zag dan al van zeer ver:"myn god - helemaal ginderachter, is er een zogezegde kamer." de schacht vlak voor je neus begon meteen smaller en smaller te worden, en je zag dat helemaal het uiteinde van die onderdoorweg, eigenlyk een veel meer wiskundige vorm had; dus geen hobbelige rotsvorm, maar een soort van kaarsrechte, betonnen traliën, twee of drie betonnen traliën die, in zo'n schacht, zo dicht tegen mekaâr stond, dat zelfs een baby er zou hebben door gekund - toch moest je je daarin naar binnen persen, je kon niet anders.
    de ruimte waar die rechthoekige traliën op uitgaven, heette voor myzelf dan een "kamer", omdat je daar ineens een plek had van één meter hoog, één meter breed, één meter diep. dat "venster" waar je door moest, om er te geraken, stak hoog in die ruimte, zodat je met een val beneên kwam - maar je was bly dat je binnen was, dat je, in afwisseling, je beide armen eventjes kon strekken en dat je rechtop kon zitten.
    maar dan begon weêr de zorg; uit zo'n stenen kamertje kon je telkens alleen maar weg langs een volstrekt verticale, enorm smalle put rotsgrond. je kon niet anders, dan je in zo'n put naar beneên laten schuiven met je handen naar omhoog, hopend dat je niet zou blyven steken; gelukkig boden er zich in zo'n "kamertje" steeds diverse putten uit - de term "gelukkig" hier gebezigd, doordat in sommige van die veel te nauwe, verticale rotsschachten, die het waren, inderdaad, naar je het dan vernam, veel dieper beneden, een van de gevangenen verstopt was geraakt; niet meer naar boven, niet verder meer naar beneên kunnend. een paar keer probeerden-ik het op te brengen, zo'n ongelukkigaard hulp te bieden, maar: nooit iets gekort. ik knoopte dan myn matrozenhemd, myn onderhemd en myn broek tot één touw--- als een touw. maar het werd nooit duidelyk of ik daar wel diep genoeg meê kon reiken, vermoedelyk niét - en als die kleêren toch wel ver genoeg zouden geraken, dan was het nog maar de gigantische vraag, wat de sukkel daarbeneên ermeê zou hebben moeten beginnen, het kon niet anders of hy klemde daar, met het middendeel van zyn lyf, zo drastisch in die nauwte, dat zyn polsen nooit de kracht zouden hebben gevonden om zichzelf daar weêr te kunnen uittrekken.
later kon ik zelmfs niet meer probéren te helpen, omdat ik myn kleêren, toch byna allemaal, had moeten achterlaten in een schacht, omdat ik er mét kleêren aan niet zou zyn doorgeraakt.
    twee keer gebeurde het, dat die smalle, geheel verticale put waar ik, na zo'n meer open "kamertje", geheel op zyn onderste uiteinde wél een kromming maakte, maar daarna geen verdere uitweg meer bood. dan moest je toch weêr terug naar boven - wat dus alleen maar kon met je beide handen gans krachteloos naar omhoog, je afdrukkende met alleen je voeten, en je knieën gebruikend om intussen zo weinig mogelyk toch weêr terug naar beneên te schuiven.
    waar die onderaardse, stenen onderwegkruiptunneltjes te nauw waren om er op je ellebogen door te kruipen, kon je niet anders dan je op je rug te leggen, om je er op dié manier, met je aangezicht tegen de bovenkant, letterlyk als een slangenmens te zien doorheen te wringen. plat op je buik, zonder steun van ellenbogen, bereikte je nooit iets. maar als je je te langdurig ruggelings moest manoeurvreren, twee of drie dagen lang (maar wie hield de tyd nog by, wie kon d'r nog rekenen in dag of nacht), dan betreurde je het dat "plafond", om de bovenkant zo te noemen, te laag was om je te kunnen omdraaien - omdat je op den duur wat grààg toch op je buik was gaan liggen, om je rug even te laten uitrusten. maar als je aan zo'n ruggelingse kruipparty begon, dan wist je op voorhand: nu zal het oneindige tyd lang niet anders kunnen dan zo, niks aan te doen.
maar goed, het ergste bleven dus toch die momenten, wanneer je, door zo'n "kamertje" in het vooruitzicht, naar zo'n té nauwe doorgang moest, die verticale stenen smalle tralies die daarop uitgaven - die kruiptocht was altyd het meest hels, daar wilde je gewoon nooit aan beginnen.

WORDT VERVOLGD

kroniek 2 smeulsmurf 2

de kronieken
van de knekelman




feuilleton 
in 12 afleveringen


door don vitalski








2.
om te beginnen: waarom dat ontzettende oord in de eerste plaats al "de bubbels" werd genoemd, dat scheen ik nooit één keer aan de weet te mogen komen. die plek had niets met "bubbels" te maken, zeker niet met "bubbels" in de betekenis van opborrelend luchtbellen of iets dergelyks. misschien werden er "bobbels" meê bedoeld, of "hobbels", wat dan goed mogelyk wel kon hebben willen duiden op de bultige onder- en bovengrond van rots, en de net zo bultige zykanten van rots, waar je onafgebroken op je ellebogen en je knieën langs moest, tot bloedens toe. maar eender waar in het klapstoeltjes-commando, en al helemaal in die "bubbels" zelf, was het quasi onmogelyk om met je meêmens te communiceren; dus goed mogelyk had er één enkele gevangene, misschien meer dan honderd jaar geleên, zeer heimelyk iets proberen te zeggen tot een ander, byvoorbeeld,- intussen zeer vluchtig wyzend naar die ingang in die hoge rotswand, iets als:"dat geeft me de kriebels!" of zelfs maar een kreet als "oppassen!", wat dan verkeerd werd verstaan, misschien niet meteen maar pas vele jaren nadien, om dan geleidelyk aan helemaal te worden verbasterd tot "de bubbels". maar effectief: dat woord klonk erg angstaanjagend. in een gewone, dagdagelykse context zou een mens om zoiets als "bubbels" hebben gelachen - maar je haren gingen, alleen al van die naam, overeind staan, ziend hoe de gevangenen eraan toe waren, die uit déze bubbels terug tevoorschyn kwamen - àls ze er al uit terugkwamen, de meesten zag je nooit meer.
    in principe was "de "bubbels" een stel in steenharde, messcherpe, aardeduistere rots gehouwen kleine tunnels, een onbevattelyk hoog aantal super-nauwe, in sneltempo verstikkende smalle kruipgangetjes, waar je van de kapiteins je weg in moest vinden. je kroop niet alleen, maar de persoon die voor je uit kroop, scheen altyd nét één smal hoekje verder, soms zag je nog één voet zich wegtrekken, meer niet; en de diverse, ja vélerlei kruipende, steunende en kreunende personen vlak achter je kon je niet zien, doordat je de ruimte niet had om je om te draaien. in het beste geval had zo'n zich oneindig in de flauw hellende diept uitstrekkende schacht precies de omvang van je torso, zodat je schouders er nét helemaal in pasten; maar je draaien was dus onmogelyk. soms had je wat ruimte in de hoogte; wie achterom wilde kyken, zou zich dan misschien hebben kunnen oprichten, om dan ruggelings het hoofd helemaal achterwaarts te draaien, dwz ondersteboven, dwz met het hoofd ondersteboven, om er achterwaarts meê te kyken; maar de vrees dat je op die manier dan, goed mogelyk, voor eens en altyd vast zou komen te zitten, zal by de meesten we té groot zyn geweest, om zoiets ooit écht te hebben geriskeerd.
    met de mensen die achter je kropen, praten, was ook niet haalbaar; er was niet voldoende lucht om je verstaanbaar te maken tegenover iemand die zich àchter je bevond, alleen hoorde je soms opeens een harde kreun, en dan wist je:"die kruipen er ook nog..."
    je klom byna altyd een heel klein beetje benedenwaarts. heel soms liep, voor een paar honderd meters, het benauwende, smalle, meestal juist erg làge gangetje effen horizontaal, maar nooit ging je naar boven. tenzy je in een zogenaamde "kamer" terecht kwam. eerst werd je kruipgangetje dan werkelyk ongeméén bekrompen, alsof je je door een trechter moest zien te krygen; je duwde je schouders er met het uiterste van je wilskracht toch door, goed begrypende:"terug, is nooit meer mogelyk; in deze richting kàn je erdoor als je, desnoods, één schouder ervoor wil breken of kneuzen - maar in de andere richting, terug naar buiten; dat kan nooit.
    
WORDT VERVOLGD

zaterdag 1 april 2017

Één dag met verlof in wenduine












ONS FEUILLETON

DE FRAGMENTEN VAN
HET SLANGENMENS




feuilleton in 20 afleveringen


door don vitalski














15.
en zo was dus ook, uiterst zydelings, gedurende maar een handjevol seconden, het lot ter sprake gekomen van rudolf gregorius, de menselyke neusvogel. op een paar minuten tyds hadden ze een stuk of honderd zeer dikke notitieboeken helemaal doorgewerkt, het slangenmens kon lezen en spreken tegelyk, hy kon zeven boeken tegelyk lezen en op datzelfde moment ook in zeventien stemmen door mekaâr spreken, wat voor de oude robot soms wat veel was, maar zo kwam het dat zelfs het slangenmens zélf op den duur uitriep:"halt! laten we misschien toch eventjes een pauze nemen!" waarop hy, niét met zyn vingers, maar wel met de tenen negentien tenen aan één van zyn voeten, van érgens (van waar precies?) een stukje kurk tevoorschyn pakte, en de oude robot om een lucifer vroeg. toen, daarmeê bezig zynde, was het gebeurd dat de neusvogel ter sprake kwam.
    het begon harder te regenen.
    hoe laat was het? het was halfvyf in de namiddag... maar nergens, eender waar ze keken, deed er zich een gelegenheid voor waar ze zouden hebben kunnen schuilen - dwz de oude robot en de neusvogel; komende van de caravan van de giraffe; ze ploeterden voort door de tochtende, neen hàrd waaiende schemering, byna plat op hun aangezicht voorover vallende by iedere pas.
    "maar wat," zo vroeg de vogel, "wàt is er dan over my gezegd!" en hy sprak:"ik wil dit weten, ik ben daar klaar voor! ik heb myzelf nooit ontzien!"
    "het slangenmens," zei de oude robot, "heeft my een klein, houten popje laten zien, dat érg hard aan jou deed denken... goed, dat wist je nu al... maar," ging 'ie voort - maar dan toch deed 'ie er het zwygen toe.
    "zeg het!" zei de vogel.
    "het slangenmens maakte voor my een tekening van het circus - een plattegrond, bedoel ik, van het belangrykste middengedeelte van het circus. en toen..."
    "wat deed hy toén? zeg het!"
    in de verte kwamen er nog andere, grotere vogels voorby gerend. vliegen was niet meer haalbaar, het noodweêr brak uit. takkenbossen zwiepten, het donderde - maar gelukkig: echt door-regenen, was nog niet aan de orde; alleen die snydende droppels wel, de gehele tyd op hun lyf en leên.
    "die plekken waar jy geweest bent, die heeft het slangenmens allemaal aangeduid. de leeuwenkooi van de leeuwentemmer. de kapel van de prediker. de vallei van de hangenman. en waar was je nog? die taverne die ze noemen, de oranje houtzagery... op al die plekken heeft 'ie jouw poppetje neêrgezet..."
    "dus - hy weet àlles over my??"
    "wel - zelfs kreeg ik de indruk - dat 'ie ons op die manier aan het besturen is zelfs, helemaal."
    "ons? hoe bedoel je, dat die ons aan het besturen is?"
    "wel - ik wil zeggen; dat 'ie dus eigenlyk jou aan het besturen is. hy zet jou naar links - en dan gà jy naar links. hy zet jou naar rechts - en dan gà jy naar rechts."
    "je... je laat my lachen?"
    "hy scheen ook te kunnen weten," zei de oude robot met afgryzen, "dat je later nog, straks nog, by doctor strausius zou komen aan te kloppen."
    "dus... jullie weten zelfs wat er my te wachten staat?"
    de oude robot zei niets meer. hy wilde gaan liggen - maar gaan liggen, was op geen manier aan de orde. ze konden niet anders dan blyven voortstrompelen.
    "wat gaat er dan nog gebeuren met my!" vroeg rudolf gregorius, de menselyke neusvogel - totdat er zich, meteen daarop, een buitengewoon krachtige bliksemschicht liet waarnemen, vele verre luchtmylen in de allerhoogste verte; waar een eenhoorn present scheen, die kennelyk bezig was met keihard, naar de bodems helemaal neêr te storten...

WORDT VERVOLGD


kronieken 1 smeulsmurf

de kronieken
van de knekelman



feuilleton 
in 12 afleveringen


door don vitalski






1.
goeddeels bleken ze dus te worden bewaarheid, beste lezers; de fabels en de legenden, en dus méér nog, zelfs, de talloze, meer scherpzinnig en geduldig genoteerde verslagen, studies en traktaten met als onderwerp,- waar ik nu was terechtgekomen -, het gevreesde, integraal en volstrekt infame zogenaamde "klapstoeltjes-commando" - erger dan de witte apenkooi, griezeliger dan de doos van de wolharige, dikke tseetsee-vlieg, en nog méér morbide dan de dood door lachgas. het klopte dat het klapstoeltjescommando voornamelyk bestond uit één enkele, onoverzienbaar ruim gebouwde, yzig tochtende reuzenhangar, waar gevangengenomen bulderdrangers aanhoudend één klapstoeltje (ieder persoon kreeg één stoeltje) tot in het oneindige moest openklappen, om het direct daarna weêr dicht te klappen, en verder niks, totdat ofwel die stoel, ofwel die artiest in eigen persoon in twéé stukken brak, en dan kon worden worden afgevoerd door één van de kapiteins - het vreugdevuur in; dat was een vlammenspel, kapitein kaaiman en kapitein weêrwolf, die lààfden zich daaraan, zeker swinters.
    maar wat in al die verhalen toch ontbrak, en waarby vergeleken die centrale hangar, ondanks alle dodelyke slachtoffers, nog maar kinderspel betrof, dat was een zeer kleine, aparte afdeling, waar niet ikzelf, maar wel de giraffe aanvankelyk in werd ondergebracht. dit zy-commando, door dieven onderling "de bubbels" genoemd - die waren pas het échte inferno; die "bubbels", lezers, die waren ht middelpunt van de meest dodelyke nachtmerrie bestaanbaar.
    eerst had ik er geen zicht op, wat er dààr dan precies zou gebeuren. ik zag, by aankomst in de hangar, de giraffe by zyn armen en zyn voeten worden gegrepen - hy werd langs een hoge ladder naar boven gedragen, langs de grauw zwarte, enige bakstenen wand van de hangar (de rest was van yzer), en daarna, zo zag ik nog nét, voordat ik werd voortgeleid, daarna werd de giraffe helemaal uit myn zicht geduwd, langs een soort van rechthoekige, metalen matryspoort, daar ergens hoog middenin die muur. pas later begreep ik wat daar preciés gebeurde. de tweede dag kwam ik de giraffe toch weêr tegen, namelyk in het puddingpad, waarover later pas, hopelyk, wat meer; "ik kàn niet meer!" zei de giraffe. "laat ons wisselen - ga jy in myn plaats naar de bubbels!" ik was de indringer kwyt, met wie ik naar de directeur moest; dàt was myn eindstemming; het martel-spel met de oneindige klapstoeltjes zou me daaromtrent op geen enkele manier wetn voort te helpen, dat zou alleen maar eindigen tot, zoals gezegd, de vuurdood erop volgde. die "bubbels" werden my ook wel door iedereen afgeraden - maar tenminste geraakten-ik dan toch weg waar ik nu was; alleen maar daarom gebeurden-het dat ik, na voor maar één enkel, halve seconde myn kansen te hebben overdacht, de ruil met de giraffe voor bezegeld nam.
    los van wat zy me nadien, inderdaad, zuiver toevallig nog zou weten op te leveren, was die ervaring op zich, myn verblyf in "de bubbels", zonder meer het ergste, het allermeest satanische, lezers, dat ik ooit in myn bestaan meêmaakte; het enige waarvan ik naderhand zou zeggen:"okay, people; liever metéén, heel erg pynlyk zelfs, moeten sterven terwyl ik erby staan - dan nog maar gedurende één kwart van een halve seconde dié hel nu nog 'ns opteniéf te moeten beleven!" eraan terugdenken, vergt al te veel van my...

WORDT VERVOLD

zaterdagbunnies


carmen baeken
laura aerts
live in het appeltje

prent vd week


eêrgisteren tydens "de kleinste revue van vlaanderen" in zedelgem, maakte serge een gehele serie portretten van inzittenden...

agenda

het is halfdrie snachts en ik besef ineens dat ik nu ogenblikkelyk twee columns voor de streekkrant moet klaarstomen, doordat ik morgenochtend naar oostende vertrek voor het weekend...

waar was je te vrydag

cd-voorstelling "cranky and the law" in het appeltje...

martinus wolf was er ook, alsook baby olifant...

een zéér goed optreden - in overigens ook een supertof zaaltje, waarachtig...

slangenmens 20 smolsmurf 20

DE FRAGMENTEN VAN
HET SLANGENMENS



feuilleton in 20 afleveringen


door don vitalski









20.
nog datzelfde etmaal, maar dan wel een paar onuitsprekelyk verwarde uren later, was rudolf gregorius ermeê bezig, de van doornig hout vervaardigde hoge ladders te beklimmen, die, naar verluidt, zouden leiden tot helemaal naar de top van de wachttorens van sendor. het stortregende pikzwarte maar ook bloedend rode, dodelyk scherpe hagelslagbollen, dus vliegen was niet meer denkbaar - nooit meer! maar de gedreven matrozenaap droeg hem by zich, in een verscheurde juten rugzak, aldoor naar hem uitschreeuwende:"komaan! niet opgeven, vogel! we zyn er byna - we moeten dààrzo zien aan te komen - vlak vooraleêr het gaat bliksemen! want dan," zo brulden-'ie, de harde stormwind ternauwernood trosterend, "dan zullen wy een overzicht op het gehele circus krygen!"
    hoe ze daar zo gekomen waren, begreep gregorius niet. hoe waren ze uit die dievenwagen bevryd, en waarom droeg wél nog de matrozenaap, maar niet meer hyzelf die afgryselyke, loodzware metalen bol rond de enkels?
    hy wist het niet - maar, zo begreep 'ie, het zou hem ook helemaal worst wezen, uiteindelyk. die ontsnapping - die zou dan wel verlopen zyn, zo redeneerden-'ie, volgens de één of de andere anekdote; de zovéélste anekdote in deze van jahwe losgerukte, barre heksenketel van triljarden onbevattelyke anekdotes; het mocht wat!!...
    hy zag die jonge, zo fanatieke verbetenheid van die alsmaar klingende matrozenaap inmiddels alleen maar, wat het was, contrasteren, inderdaad, met zyn eigen vervelende vermoeidheid, zyn eigen tegenzin. een verveeldheid die inmiddels, merkten-'ie veel minder nog met die zogezegde profetie te maken had, die zo overdreven voortvarende nep-voorspellingen van dat slangenmens, zoals dat arrogante slakken-geteisem dan maar, voor de duivel zyn anus, moest zwetsen naar z'n eigen goeddunken; maar wél voelden-onze vriend zich alsmaar meer finaal worden beetgenomen, werkelyk, door zyn eigen wirwar van zieke mymeringen betreffende, inderdaad, die volksbibliotheek, die boekjes waarover in het vorige hoofdstuk, lezers, niet zomaar voor niks zo erg uitgeweid. waar was hy meê bezig? wat dreef hem al die tyd, dat hem nu plotsklaps helemaal niét meer kon dryven? het was als een wandelaar die een stap zette - maar dan in een leêgte wegzakte, in plaats van nog vooruit te komen.
    "ik ben zelf," zo begreep 'ie, "ik ben vermoedelyk zélf zo'n figuur in zo'n boekje. tenminste: nog in het beste geval. want die boekjes van de bulder-bibliotheek: die werden tenminste nog gelézen, iedere zaterdagmiddag. zo erg zelfs, dat ze moesten worden verboden. maar wie zou," zo verliepen zyn gedachten zo morbide, "wie zou myn biographie nu willen verbieden? als niemand die las, als niemand die kende?"
    "komaan, we zyn er byna!" zei de matrozenaap.
    precies onder zyn keihard bloedende, in verhakkelde sandalen gestoken twee apenvoeten, met die bungelende loden bol er nog netjes aan, deed er zich een luik voor; of beter genoemd een opengeslagen gat in het midden van een spiegelglad glimmend stuk terrasvloer; onder dat gat zag je niks; dat kwam: daaronder was er de diepte, honderden meters zuivere diepte en voor de rest niks.
    "die fetisjdryver van 'n slangenmens," dacht rudolf gregorius. "die wil dus hebben, dat ik myn eigen zou gaan ophangen aan ergens de top van 'n dennentak, zoals 'ie het voorspelde?" en hy redeneerden-als volge: als 'ie zichzelf nu inderdaad (en ja: inderdaad rees daar een knalgele maan, middenin deze stortvloed aan regenende damp) al 'ie zichzelf nu inderdaad zou verdoen - maar dan door nu zomaar, onaangekondigd, in dit gat te springen - da verliep het ànders dan hoe die sukkel het meende te mogen hebben bestuurd. "dan beleef ik, terwyl ik myn eigen van kant maak, toch wél dat gevoelen van één enkel, volmaakte, totàle vryheid!!..."
    hy moest lachen. zoals zelfmoordenaars lachten, vlak vooraleêr ze tot hun actie eenmaal zouden zyn overgesprongen. de matrozenaap merkten-'t zelfs; "wat doe je? waarom làch jy zo vreemd?"
    maar rudolf gregorius - hy kon alleen maar blyven lachen. het wintercircus - van de slappe lach. "wat doe je??" zei de matrozenaap. en die sprak nog:"hier!!... neem - een touw!!... uit myn rugzak - het is... een touw... met een lus eraan!!... hang," sprak 'ie nog meer, de windvlagen en -hozen het hoofd biedend, "hang zo'n lus aan één van je poten - voor - als je zou vallen!!"
    hy nam het touw dadelyk van hem over - hy vond de lus ogenblikkelyk, maar stak er dan zyn verdomde, vreselyke vogelkop helemaal in; die vogelkop die niemand lustte, die kop met die walgelyke vleesneus - wie zag er ooit zo'n afschuwwekkend mormel, dat van links naar rechts vloog zonder ooit iéts te hebben bereikt?
    "niet wanhopen," zei de matrozenaap. "da's helemaal nergens voor nodig - daarboven," sprak 'ie, "nog vier- of vyfhonderd meters naar boven klimmen, en we zyn er."
    "ga jy maar alleen!" zei de menselyke neusvogel, nog steeds met die grimmige slappe lach. maar dan verstrakte zyn gelaatsuitdrukking. hy keek de brilaap aan: alsof die brilaap zelf achter zyn eigen, achter de brilaap zyn éigen schouders stond. dus alsof 'ie een spook zag. en de vogel zyn laatste woorden waren nog, op de valreep, met een innig doorleefde verbazing:"neen?..."
    te laat - hy sprong reeds. door het gat in de plankenvloer, ergens helemaal in de allerbovenste regionen van die on-toren. hy viel naar beneên; het touw viel met hem meê naar beneên.
    de honden van commissaris pondi vonden hem, meezogen door die onmogelyke stortwind, enige honderden meters verderop, met zyn poten hoog boven de aarde, zyn nek in die strop, als een jan klaassen zo ongemeen hard op en neêr bungelend aan een fel naar omhoog wyzende dennentak, die afstak tegen de gele maan. "maak hem los," zei pondi, een halfuurtje later er ook by gekomen. en zoals hem gevraagd werd maakte jan van assegracht, de orgeldraaier, met ontzettend veel moeite de morsdode vogel weêr los - met gevaar voor eigen leven.

EINDE

ellen en karen peeters

old school steff mertens deed de techniek

oomzegger enak

-end


afterLink

21 april live in bibliotheek permeke

prent vd week

(c) arthur suydam