donderdag 21 december 2006

nele thriller schets constance en mathilde

in beaumarchait in de franse ardennen

juist over de grens van belgië
was er in het begin van de vorige eeuw
een paar decennia lang
een meisjespensionaat
voor meisjes die uit brussel kwamen
die ni rijk waren maar ook ni arm
en van wie die ouders vonden
dat die weg moesten uit de stad.

in de jaren zeventig van de vorige eeuw
is dat pensionaat dichtgegaan
en werd de eigenaar van dat pensionaat ziek en trouwens ook krankzinnig,
die zag naar dat eigendom niet meer om,
dat gebouw begin te verkrotten,
die ruiten werden ingeslagen door soms een verdwaalden junky,
die inkomhall werd ooit een tijdlang gebruikt
voor bijeenkomsten van een motorbende
maar daarna zelfs dat niet meer -
dat werd een van de meest eenzame gebouwen
van de menselijke beschaving ooit.

zelfs als het buiten windstil was
tochtten-het daar door de gangen,
de trappen,
de deurloze klaslokalen.

daar hingen overal spinnenwebben
maar de spinnen die in die webben zaten
waren allemaal dood
omdat er behalve die spinnen
geen ander ongedierte zijn weg vond.

in het midden van de jaren negentig
kwam er een afbraakfirma
in dat pensionaatsgebouw op prospectie,
om van dat gebouw een bestek op te maken,
om in te schatten wat erbij zou komen zien
om die hoge, grote, zwarte, betonnen muren te slopen,
hoeveel containers en hoeveel kranen…

die firma, dat waren twee gasten en een madame.
die twee gasten waren bezig met allerlei metingen in de hof, de kelder
en de inkomhall en de refter van dat gebouw,
maar die madame was met een helm op in haar eentje al eens naar boven gegaan,
ze zeiden nog half voor de grap: zie dat je niet ergens door de vloer zakt,
-maar niet helemààl voor de grap.

op de tweede verdieping, de op één na hoogste verdieping,
kwam die langs een gang met allemaal kamers,
waarschijnlijk waren dat slaapkamers geweest, ooit,
en op het einde van die lange, brede, kale gang
kwam die uit op de toiletten.

daar hing een afschuwelijke stank
maar toch stapte die madame daar naar binnen;
die gasten beneden riepen nog haar naam,
die wouden dat zij terug naar beneden kwam,
maar zij ging verder in die toiletten naar binnen;

wc-potten met geen water meer in,
met geen wc-bril meer aan,
tegels die loshingen, één of twee lavabo's die waren scheefgezakt;

op het einde van die stinkende ruimte
zag ze toch één toiletkamertje waar wél een deur voor was bevestigd,
en ze keek daar langdurig naar;
ze zag namelijk dat die deur in zijn slot was gegooid,
en pas nadat ze daar langdurig op had staan kijken,
drong het tot haar door,
dat dit hier hetgeen was, dat niet klopte:
dat het slot hier aan de buitenkant hing -
dat klopt niet,
een wc moet niet op slot langs de buitenkant.

en terwijl drong het ook vanzelf tot haar door
dat het metaal van dat slot, dat dat slot zelf
er veel nieuwer, veel meer nieuw blinkend uitzag
als alle rest;
iets zoals een nieuw etiket op een verweerde, verrotte doos.

door een aandrang die sterker was dan haarzelf,
maakte zij dat slot open -
dat ging ook heel vlot, dat klemde niet, daar was geen roest aan,
zij doet die deur open,
zij ziet haar eigen leven voorbijflitsen,
zij ziet rare gezichten, zij krijgt het gevoel alsof zij een stomp in haar gezicht krijgt -
voor haar twee ogen ziet zij ruggelings over dat weeceetje heen
een jong meisje liggen dat effenaf morsdood is,
dat verhakkeld is in haar gezicht, in een blauwe jeans en met wit dun t-shirtje aan,
met twee basketters aan, een polshorloge, en diadeem op de grond.

in een tweede beweging wordt die madame die hier bij uitkwam
overwelmd door een onbeschrijfelijk gewelddadige stank,
als een aanraakbare stank,
zij valt bijna flauw,
zij wil roepen maar dat gaat niet.

die twee gasten die met haar mee naar dat pensionaat waren gekomen,
hebben de trappen beklommen,
die komen achter haar aan,
die zien hoe zij haar bijna doorschijnende zo erg doorzichtige gezicht
naar hun omdraait,
en die gasten die zeggen allebei:
wat is er!
wat is er gebeurd!

Er is een fout opgetreden in dit gadget