woensdag 14 januari 2009

autobiografie


nog steeds schaam ik my over de komkommertyd op myn nochtans fel gegeerde blog. het zal er niet op beteren, want nu meteen vertrek ik voor drie dagen naar de ardennen; tot dinsdag. om die reden alhier opnief een uittreksel uit myn in maak zynde autobiografie. woensdag haal ik het er weêr af.







deze tekst gaat over het voorjaar van 2002, maar is ten zeerste schetsmatig, ik moet het nog helemaal uitpluizen en byschaven en leesbaar maken; alleen de die-hards hebben er al wat aan...

13.
“Den Openhaard” liep van begin tot eind februari 2002, met vaak vier tot vijf optredens per week, welk maniakale ritme kenmerkend is voor het Marthatentatief: een maand of twee, drie voorbereiden en dan kort maar intensief spelen. Eén maand voor het stuk begon,- want, lezers, ik zet hier een klein stapje achteruit, met name naar de vijfentwintigste januari in het bijzonder -, nam ik, opnieuw, deel aan De Nachten in deSingel, en wel voor de zevende editie van dit historische festival. In opdracht van de organisatie liep er van de ene zaal naar de andere een kleine cameraploeg in de rondte, speciaal om van het evenement op de voet verslag uit te brengen op het internet. De website van deze bescheiden maar sportieve cameraploeg heette Kingkong, en die site verrichtte per definitie pionierswerk, in de tijden van voor Youtube. Met als inherente frustratie wel vaak haperend beeld bij vele gebruikers.
Zelf was ik rond die tijd, met de hulp van mijn Broer Serge alsook met die van de Schoonbroer van Michaël Vandebril, Alan Defeyter, de Broer van de prachtige Eefke, een eigen website beginnen op te bouwen, wat ik erg graag deed; ik vermocht wel nog geen filmpjes te plaatsen, maar voorts was het een genoegen om toch alvast mijn teksten, mijn muziekjes, mijn onderontwikkelde grafiek, mijn stripverhalen en mijn schilderijen hier alle netjes bij elkaar te sprokkelen. De beroemde cameraman Renaat Lambeets wist me te vertellen dat hij mijn site iedere avond voor het slapengaan aanklikte, speciaal voor het prachtige muziekje van Couperin dat eraan vastkleefde:“Les Barricades Mysterieuses”- welk muziekstuk (gelieve dit te noteren) gespeeld moet worden op mijn begrafenis, a.u.b. – liefst quatre mains vertolkt door Tinus Wolf en mijn eigenste Schoonbroer Hans Aerts.
Kingkong werd gerund door een zo goed als getrouwd stel, Chris Van Camp en Mario Demunck. Die twee deden alles zelf, maar Chris was daarenboven ook nog eens, dat moest ook wel, bijzonder goed in deligeren – goed bezoldigend daarenboven, wat een unicum is op dit terrein. De kunstenaar Danny Devos, de bij Humo vertrokken journalist Kurt Vandemaele, de op dat ogenblik door Jim Tv gehypte presentatrice Murielle Kuyps en nog een tiental anderen; op bestelling van Chris reden ze van het ene Gentse filmfestival naar het andere Mechelse avantgardetheater. Bij de taakverdeling betreffende nu specifiek dit feest hier in deSingel hadden Chris en Mario, zo vernam ik later, bijna ruzie gehad; doordat ik hier vanavond drie optredens voor rekening nam in plaats van maar één, en wel telkens op een verschillende plek in het gebouw, moest ook hun website mijn act, volledigheidshalve, minstens voor een paar seconden in beeld zien te brengen - maar niemand van de ploeg voelde zich geknipt voor dat karwei. Chris had mij al wel eens gezien, langer geleden - niet in lijf en leden, maar op het affiche voor mijn trouwfeest met Irene Vervliet, in 1998; sindsdien was Chris ervan overtuigd dat ik een kleine, dikke dwerg moest zijn, qua uiterlijk althans, en qua innerlijk een regelrechte etterbak, niet minder. Nu: een dwerg kon ze mij alvast niét noemen, zo zou ze spoedig merken. Ze verloor de discussie in haar eigen firma, teneinde zich, aldus met tegenzin, te zien afzakken naar een van de kleinere zaaltjes, alwaar ik tezamen met een paar andere columnisten aantrad voor een zoveelste aflevering van het radioprogramma Collage, voor Studio Brussel. Achter het doek, overigens, was er toen een bijzonder zenuwachtige Guido Belcanto, - “Dimitri Verhulst zei me zonet," zo zei ik hem, "Dat hij heel erg van is van u,” - waarop Guido mij, vlak voor hij aldus op moest, van lieverlede plotseling vastgreep en een tongkus bezorgde – hij tekende,- succesrijk, zou blijken,- voor het muzikale intermezzo, maar voelde zich, denk ik, onzeker omdat het publiek hier zo jong was naar zyn normen.
Als conferencier stond ik, op dit punt in mijn biografie aangekomen, behoorlijk sterk - om niet te zeggen ijzersterk, als u mij wil vergeven, lezers.
Ik had op dit ogenblik ook geen concurrentie, zo is het... Ik bracht mijn goed gerodeerde conference omtrent de intelligente baby; een baby die, volgens dat verhaaltje, zo ongemeen slim is dat hij niet, zoals een normale baby, in zijn wieg ligt, maar wel eronder - om de wieltjes te repareren; een stukje komisch verhaal dat tot het allerbeste moet worden gerekend van wat onze beperkte natie op het gebied van komische babbels opleverde tot dusver.
Chris was bijna verontwaardigd over de hoge kwaliteit van deze performance. Ze kwam me backstage uitnodigen voor een uitgebreid interview, doch gevat zei ik haar:“Ja, graag – erg graag; zij het dan wel pas morgen, om halfvier ’s nachts - bij me thuis, als dit voor u zou kunnen.”
Ik legde haar uit:“Ik kan niet rijden - niet zelf,- ik heb geen rijbewijs. En buitendien wil ik nog wel eens in mijn zetel liggen ook,” zo voegde ik er nog aan toe. Ik moest altijd maar van hier naar daar...
De komende drie, vier jaar zou Chris Van Camp ongeveer àlles voor me doen dat een sterveling maar bedenken kan; ik werd, zo stelde zij het zelf wel eens geformuleerd, haar “hobby”. En zelf werd zij algauw, door mijn toedoen, omgedoopt tot “Prinses Riki”.
De niet af te wenden gewoonte van mij om de meerderheid van mijn kennissen met een nooit meer uit te wissen bijnaam te bederven, automatisch, heb ik gemeen, à propos, met wijlen de Belgische succesauteur Georges Simeno; die gaf ook al zijn vrienden en vriendinnen een bijnaam. De bijnaam “Riki” kwam in dit geval van de uitdrukking “Ros Konijn”, doordat zij er een vurig, flamboyant kapsel op nahield, in overeenstemming met haar vaak ietwat excentrieke, glimmende, weelderig gedrapeerde garderobe; doch ook kwam “Riki” van “Rooms-Katholiek”. Al gedroeg ik mij, mijn dertigste voorbij, als een volleerd vrijbuiter, inmiddels. Vergelijkbaar met hoe ik als jonge twintiger optrok met Marlène De Zilvergrijsharige, van Companie De Koe, en ook vergelijkbaar met, twee jaar daarna, mijn vruchtbare vriendschap met de ondernemende Monique Sels, van galerij Pofferd Denul. Er huisde, of er huist aannemelijk altijd nog, een zekere gigolo in mij, het is zo... Doch met Riki was het toch anders, dit ging veel verder, we zouden op de duur, gedurende een wyle, één mens worden tezamen.
Grosso modo kwam het erop neer dat Riki de hele “Art Of Being Vitalski” onbezoldigd begon te reorganiseren, behoorlijk fundamenteel ook. Eens temeer van zodra ze mijn erudiete bibliotheek onder ogen kreeg. Deze nauwgezet gekoesterde en overheerlijk ogende boekenverzameling van me, met veel witte pruikenliteratuur, geleek frappant sterk op de hare – haar afdeling typische vrouwenletteren dan niet meegerekend; ik geloof dat maar één procent van mijn boeken van schrijfsters afkomstig is.
Ten eerste was ik een onhandige kluns, zoveel stond vast. Het was ongelooflijk in welke mate Riki, die nooit sliep, mij zuiver werktechnisch alleen al uit de wind zette. Ook zonder dat ik erom vroeg, zorgde zij ervoor dat ik een nieuwe computer kreeg, een veel meer behoorlijke – en die betaalde ze voor mij, doch bovendien liet ze die ook bestendig bij me geïnstalleerd worden; de draden inpluggen, die hele omslachtige nachtmerrie. En: als die machine stukviel, bracht ze dat hele onding eigenhandig weer naar de hersteldienst, ook in tijden van hittegolven (de zomer ons in het verschiet.) Ze maakte van Kingkong tevens een uitgeverij - speciaal en alleen om “De Geur Van Nat Haar” opnieuw uit te brengen – de eerste duizend exemplaren van die zogenaamde rondhang roman van me, waren erg vlug uitverkocht, wellicht zuiver dankzij de reclame die Dimitri Verhulst er iedere week opnieuw voor maakte op ons radioprogramma – iets waar ik hem erkentelijk voor ben. De herdruk, bij Kingkong, in een lichtjes gecorrigeerde editie, viel ditmaal een behoorlijke distributie te beurt, dankzij Reiner Claessens van het verdeelcentrum WPG; m.a.w., voor het eerst in mijn leven kwam ik te liggen in alle Fnacs en in een aanzienlijke reeks Standaard Boekhandels; een regelrechte droom van toen ik er twaalf was... En voorts reed die onvermoeibare toverkol die zij ook was (als kind was ze Kate Bush), mij naar al mijn optredens – alleen het chauffeerwerk voor “Collage” bleef exclusief voor Goldface. Mijn agenda geraakte echter van de ene dag op de andere overvol. Ik was inmiddels aangesloten bij het boekingsagentschap uit Sint-Amandsberg, Theaterbureau XL, van Christian Lapinne, die me aarzelend in het oog had gehouden maar toehapte van zodra hij mij aan het werk had gezien in De Fantast, de dertiende maart van 2002. Op dat ogenblik zaten ook Nigel Williams, Wim Helsen en Raf Coppens in zijn stal. Riki bracht me van Avelgem naar Lokeren en weer terug. Dat chaufferen was overigens maar een detail, ze deed zoveel méér voor me; ze bestookte de pers, regelde fotoshoots, stelde brochures op; meer dan de helft van mijn optredens werden dit jaar door haarzelf geregeld, ze belde een wuiver van organisatoren op, kafferde hen uit als ze vooroordelen tegen me hadden en bleef hen bestoken tot ze zwichtten. En voor dit alles vroeg ze mij nooit één frank, dat kwam niet in haar op.
Behalve dat ik onhandig was, had ik tevens te kampen, zo zag zij het helder in, met wat zij noemde “een imagoprobleem”. Daar kon ze iets van weten, aangezien ze mij dus, zoals ze toegaf, ook zelf niet kon uitstaan toen ze mij nog niet kende. Dus moest dat, zei ze, veranderen. En wel liefst acuut. Ze vocht voor mij als een Jean D’Arc. Mijn intuïtie zei me desondanks dat haar beweegredenen kosher waren, dat er geen reden bestond voor achterdocht. Haar eigen relatie scheen mij wel iets ingewikkelds, doch hoewel daar, aannemelijk, wel eens werd gekibbeld, toch was het altijd een aangenaam toeven in hun beider gezelschap; een wakker gezin met als kroonstuk op de fabel een mooie, ultra-schrandere Dochter, als kers op de taart; de langharige peuter Roxane. Met hun gedrieën woonden ze in de Quinten Matsyslei, met uitzicht op het Stadspark. Je wandelde bij ze naar binnen in een van de mooiere films van Woody Allan.
Prinses Riki was, zo leerden we, afkomstig van Lier,- zoals ook haar kennis van vroeger, de bijgenaamde "Rossen Bart", een geluidsman van wijlen The Sands, en zoals ook een ex van de auteur Luc Huybrechts, en zoals ook, tenslotte, tezamen met zijn Dochters, de acteur Luc Deu, met welke babbelzieke, hoog piepende eersteplansacteur ik toevallig rond dit seizoen vereerd was, eenmalig, een paar sketches op te nemen in de studio’s van Boordmeerbeek, in opdracht van Hans Otten... Riki was er dit jaar bijna veertig (een leeftijd die ze tegemoet zag met een nadrukkelijk afgrijzen), en ze had, op dit strikt te bepalen kruispunt waar onze biografieën elkaar aansneden, reeds een paar breedvoerige levens achter de rug. In 1994 runde zij een geslaagd reisblad, een glossy onderneming voor dewelke zij werk gaf aan, onder anderen, de auteur Johan Anthierens, min of meer haar geestelijke Vader, alsook aan de stilist Erik Vernieuwe, alsook aan haar ex-medestudiegenoten Frank Vanderlinden en Marcel Vanthilt (ook de muziekcriticus Serge Simonart had bij haar in die klas gezeten, een bepaald historische bende dus...) In nog een ander tijdperk woonde zij in New York. Et cetera. Haar oneindige, uiteenlopende capaciteiten ten spijt, zag Chris zich er aldoor toe genoopt om, eloquent als geen ander, haar eigen karma op een ogenblik te omschrijven als volgt:“Als ik,” stelde zij, “Een column wil schrijven, dan moet ik er eerst zelf, eigenhandig, een heel tijdschrift rondheen opbouwen.” Wat iets was dat Riki en ik met elkaar gemeen hadden: we beschikten beiden, uiteraard elk op een eigen manier, over een onmiskenbaar talent, om niet te zeggen een exuberante gave, wat doorgaans door de wereld ook erkend werd als dusdanig; en toch werden we gediscrimineerd, wezenlijk. We kregen geen krediet, we moesten ons iedere dag overnieuw zien te bewijzen, en derhalve moesten we alles zélf doen, keer op keer. Waarom?, - Om daarom...
Aan de hoofdredacteur van WeekUp Magazine, Luc Cuperus, de exporteur van mijn gewraakte predikaat “De Antwerpse Nachtburgemeester”, had Riki een broertje dood. Zelf wist ik mij wel in mijn nopjes – op onze maandelijkse lounges, welke Luc en ikzelf, alsook Cis en Michaël, nog altijd waren blijven organiseren, was ik de koning te rijk, iedere tweede zondag van de maand overnieuw; vanwege, in het bijzonder, de velerlei avontuurlijke meisjes die ik er aan de lopende band was blijven leren kennen; bijvoorbeeld de toen feitelijk nog echt piepjonge zangeres Amarillys; mocht ik een keertje zoenen, geborgen, half gehurkt, achter de platenbakken; onderwijl ik, aldus, doende was met deejayen, toch stoer... En de beeldschone Marilyn Ambach, de Dochter van Boogy Boy; over die schoonheid later pas een béétje meer. Maar Riki, zoveel was duidelijk, was verbolgen om het droge feit dat die verdomde Hollander, die zelf van cruise naar zeilboot leefde, mij nog nooit zelfs maar één halve cent had uitbetaald – althans toch niet voor mijn columns voor zijn blad. Door enkele verwikkelingen die erbij kwamen, doch waarvan het fijne mij wezenlijk ontging, sprak ze gewoon niet meer met hem, vanaf een zeker ogenblik. Ook niet als ze bijvoorbeeld pal tegenover elkaar in een lift stonden. Ze deed of hij lucht was. Riki oordeelde dat hij bezig was, me uit te buiten. Maar indien dat waar was, dan nog. Liever mij gebruikt laten worden voor niets, dan thuis op het behangpapier te moeten zitten schrijven – dat had ik lang genoeg gedaan.
Dankzij Luc Cuperus kreeg ik overigens, maar dat verleent hem nu geen krediet, een wél enigszins correct uitbetaalde, wekelijkse column op de studentenwebsite Studentstart. Dit schrijfwerk ervoer ik als corvee - de ironie wil dat Riki, die geen grenzen kende, deze column van mij overnam, onder mijn naam en opnieuw zonder er zelf geld voor te hoeven – op het onbegrijpelijke af – ze wilde dat ik tijd vrij had voor betere dingen.
Het concept van mijn eigen zogeheten Meidengroep, een in het Vitalskiaanse universum intussen, onderhand, min of meer geïnstitutionaliseerd bijverschijnsel, als een club die zomaar wat in de rondte hing, om de mensheid op te vrolijken zonder persé te veel diepgang, werd door Riki omgesmolten tot, trefzeker, een meer aanschouwelijke idee; namelijk dit van een serie waarachtige vrouwenexposities. Waarvoor we telkens om en bij de veertig dames verzamelden. Die kwamen allen bij me thuis vergaderen. Wat voor fotografen ongeveer hetzelfde betekenden als honing voor de bijen. Mijn driezit leek ineens een meubel in een fotostudio. Na weinig discussie werd het opzet dat deze geisha’s die ze toch waren, zich gekleed liever dan naakt, op sokkels naast elkaar plaatsten. Voor de eerste editie van deze expositie, op 22 april, huurde Riki een credibele locatie af, de toen splinternieuwe Zaal Barcelona op het Noord; een stijlvolle loft, van een glimmende houten vloer voorzien, alsook van grote ramen, plus daarenboven begenadigd, zeker bij helder weer, met een uitzicht op de pril lentelijk glinsterende Schelderivier. De timing van deze happening was briljant: het was, wat heet, “Nationaal Erfgoedweekend”; traditioneel worden er dan, meer verplicht dan oprecht geestdriftig, karrenvrachten journalisten op uitgestuurd, terwijl er anders niks zo vervelend is als een reportage over bloemenmarkten of een nieuwe betonnen brug. Die eerste vrouwententoonstelling haalde, kortom, tien keer meer publiciteit dan eender wat ik eerder al had uitgevreten bij elkaar – ook jammer eigenlijk; zo was het echter. In alle kranten werd het ding reeds vroeg op voorhand aangekondigd, altoos met belachelijk foto’s erbij, en nadien werd het ook nog eens overal gerecenseerd. Het VTM-nieuws kwam mij hiervoor interviewen...
Gelukkig werden die exposities wel nooit of zelden een pensenkermis - dankzij de geraffineerde handtekening van de Prinses, zo is het, werden de meeste van die vederlichte events - we deden er vijf in het totaal,- esthetisch min of meer verantwoorde bedoeningen; pretentieloos en grappig en aardig verzorgd.
En met gratis champagne voor organisatoren, voor journalisten, - neen, eigenlijk vooral voor goede vrienden.
Twee weken hierop, de vijfde mei, hadden we een vrouwententoonstelling op “De Nacht Van De Liefhebber”, een festival op het Eilandje, meer specifiek in de ruime schoolgebouwen van het SISA, alwaar ik tevens, door toedoen van WeekUp, de optredens zelf presenteerde. Die grepen plaats op twee grote, op en indrukwekkende wijze schuins tegenover elkaar staande podiums, voor een publiek van om een bij de tweeduizend. Tom Van Laere kwam er met zijn band Admiral Freebee een huiveringwekkende set poneren – precies één dag voor zijn single “Rags ‘n’ Run” zou uitkomen, zijn nationale doorbraak... In een akelig vertrek apart, een nauw uitgevallen, dompig turnlokaal, doch wel met een theatrale, atmosferisch gloeiend warme belichting hadden mijn eigenste, die avond precies dertig vriendinnen zich weer eens verzameld, opgemaakt en weelderig uitgedost; nieuwsgierige bezoekers, veeltallig present, werden verzocht om, met een dodelijk geduld desnoods, bij aan te schuiven, achteraan een merkwaardige rij wachtenden,- die sliert driftkoppen, dronkaards en nieuwsgierigen, die algauw een paar honderd meters lengte bedroeg; enkel individueel, één na één, werd zo’n gast, op de lange duur dan, bij die meiden naar binnen geduwd. Sommigen konden, eens, eindelijk, achter dat deurtje gekomen, bijna overdreven langdurig bij ze blijven. Die uitzonderlijke gevallen werden dan aangesproken of verwend of betutteld; sommigen kregen zelfs telefoonnummers van ze; een groot deel van die bezoekers werd er door die vrouwen echter juist direct weer buitengekeild, liefst zonder aanwijsbaar motief. En die mens reageerde dan woest - op mij nog vooral, ik werd angstig van. Zelf beende ik uiteraard aanhoudende gratis binnen en buiten, misschien opzettelijk, namelijk om die rij wachtenden extra te treiteren. Hoe konden ze zo onnozel zijn?
Maar dit volgende zegt wat over mijn slechte reputatie - ondanks alles toch, vind ik, onverdiend; er stond ergens achteraan in dat grote schoolgebouw een buffetpiano klaar; de morgen dadelijk op dit, in grond aldus ronduit achterlijke festival dat het was geweest, uiteindelijk, kwam de organisatie erbij uit dat er in deze piano, langs het luik bovenaan, op de snaren dus, uitgebreid door iemand was overgegeven – het braaksel droop, naar men zei, tot aan de voet van het instrument – en iedereen van die mensen, zo vertelde Luc Cuperus mij, ging er meteen, onverwijld en zonder discussie, vanuit dat uitgerekend ikke, jullie dienaar Vitalski, hier de grote schuldige achter was. Een kwetsende belediging, een steek van jewelste - eens temeer gezien mijn liefde, mijn tedere liefde voor piano’s.
Ook nog op die beruchte vrouwenexpositie in het SISA, tenslotte, leerde ik twee bijzonder jonge, oogverblindend mooie meisjes kennen, van wie de een zekere Lara en de andere de kwieke blondine die, kort tevoren, had geacteerd in de grappige Belgische film “Casablanca”. Die twee meisjes, vrolijk en uitdagend als ze waren van het bier, vroegen mij, uit zichzelf, dwz. niet op mijn aandringen, of ze niet, het liefst met zijn getweeën tezamen, aldus, in mijn zetel, bij mij thuis konden overnachten. Dit vraagstuk hoefde mij maar één keer te worden voorgelegd. Tergend bleek evenwel het gegeven dat ik, hoe kon ik het vergeten, met de fiets hier was, onderwijl die meiden hier in het vroeg van de avond gedropt waren door de wagen van een Pa en Ma van ze. Meteen zou ik een taxi voor ze hebben gebeld – doch uitgerekend op dit ogenblik in de late nacht kwam, zo wilde het lot, de eeuwige Geert Vanbever, als altijd ook toen mijn geluidsman, uit de backstage naar buiten gestapt. Hij schatte vlug in wat hier ongeveer gaande was en stelde die meisjes voor, zonder enig dralen, zich door hem persoonlijk tot bij de Lindeboomstraat te laten worden gevoerd. “Ja maar,” bracht ik in, “Gijzelf, Geert, komt er bij mij niet in vanavond!” En zei nog meer duidelijk:“Geen jongens in mijn biotoop – toch zeker niet dit weekend!”...,- We vertrokken tezamen, zij gedrieën met Geert zijn wagen, ik op de fiets; maar gek genoeg kwam ik, al trappend, vroeger thuis dan zij. Een vol uur wachten en nog meer wachten later, waren die meisjes nog steeds niet hier. Ik werd crazy, toch ongeveer. Maar als ik Geert probeerde te bellen,- die reageerde niet. Wel kreeg ik, zo nu en dan, een sms’je van een van die meisjes:“We zijn er bijna!” “Nog twee straten!” Op die manier bleven ze mij opfokken. Urenlang. Ik werd niet goed. Pas veel later, pas eens het weer licht was beginnen worden en de vroegste vogels in de buurt stilaan weer op straat kwamen, vermocht ik, in de verte, die verdomde, versleten Citroën van die verrekte Beverlul dan toch te horen komen aanrijden. Ik haastte mij naar beneden, in mijn bloot bovenlijf, om die Lara en die kleine blondine bij me thuis binnen te laten - Geert Vanbever wilde ze natuurlijk ook nog achternakomen – “Gij niet!!...” Zei ik scherp. “Hu??...” Vroeg hij. “En niet alleen vandààg - gij komt hier NOOIT meer binnen, gesnopen??”
Het bleef uiteraard, eens ze dan toch bij me waren, redelijk onschuldig. Alleen tongzoenden zij elkaar. Terwijl ik erop toezag, op mijn rug liggend onder hen getweeën. “Dit is wel goor,” zei die Lara giechelend... Ze wilden ook nog piano spelen - daar had ik de draad uitgetrokken. Ik was afgepeigerd...

De maanden mei en juni van dit jaar hielden voor mij, op een rijtje, welgeteld een drietal aanzienlijke trauma’s voor mij in petto, niet minder. Al verliepen de dagen voor de rest nog zo tof allemaal. Het voorbije halve jaar was ik mijn centen aardig aan het verzamelen geweest; doch ik had een gat in mijn hand, waardoor mijn rekening altoos precies op nul bleef. Toen mijn aloude kameraad, de vrijbuiter Lino Boots, toentertijd gekend als spelletjespresentator op VT4,- tevens is hij evenwel ook de biologische Vader van mijn twééde Petekind, de mooie Mirthe, van Tine Lammers, van het meidengroepje De Linkie Toys, mij opbelde voor een lucratieve reclame-opdracht; toen kon ik daar, hoe debiel die job in kwestie ook was, op geen enkele manier neen tegen zeggen. Sven Roofthooft was mijn tuinhuis aan het verbouwen en dat kostte ook geld. De bedoeling was, wat Lino betrof, om voor een reclamefirma waarmee hij zaken deed, welgeteld acht dagen na elkaar, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, gekleed in een absoluut schraal ogende Superman-outfit, campagne te lopen voeren voor Red Bull, de energy drink; overdag in Carrefours in Burcht, Schoten, Hoboken, ’s avonds en ’s nachts in discotheken. Als een krielkip in een natte cape door de ruige, regenachtige Abdijstraat slenterend,- een eenzame kruistocht, ei zo na dodelijk, -“Hey, gij!” Aldus een paar Mohikanen op een vensterband. “Superman? Superkloot zult ge bedoelen!” Een paar keer ei zo na een pak slaag... In een boetiek werd ik, nog steeds als Superman, aangesproken door een vriendin van vroeger: ze liet me verstaan deze bedoening zo diep beneden mijn waardigheid te vinden, dat ze er kwaad om werd. Op de Sinksenfoor, ’s avonds laat, nog altijd met die cape rond, liep ik toevallig ook Prinses Riki tegen het lijf; die was haar Dochter Rox juist op een pony aan het zetten. Riki weende bij dit aanzicht in mijn plaats. “Al zullen de meesten zich waarschijnlijk indenken dat gij dit gààg doet!” Het ergst was nog, alles bijeen bekeken, mijn doortocht als misbakken superheld in het Wijnegem Shopping Center, ten prooi aan ronduit fascistoïde etters van kapitalistenkinderen, die mij, niet minder, de kleren van het lijf snokten en scheurden - “Gij zijt niet écht Superman! Gij zijt niet écht!” Of nog erger, aldoor:“Vlieg dan maar eens, om het te bewijzen!” Ze wilden dat ik, opzij van de liften, tien meters lager, één hele verdieping voor ze naar beneden sprong. Ze méénden het. En die Ouders grepen niet in – die lieten hun kinderen mij molesteren: als hoorde dit bij mijn job. Maar het betaalde dus, alles bij elkaar, een goede vijfduizend euro. En ik werd gechauffeerd door, dat wel, de beste hostessen van het bureau “Attention”, uit Deurne. Zo mocht ik onder anderen leren kennen de adembenemende, struise, pikzwartharige Tasha, met wie ik veel later pas, meer dan een jaar wachten nog, tegen mijn meest wanhopige verwachtingen in een paar keer, en dan vurig, naar bed zou mogen – nog steeds zie ik voor mijn ogen haar gebruinde, malse schoot, haar dikke, smeulende billen...
Die Tash was op dat ogenblik goed bevriend met Deborah Ostrega, die op haar eigen beurt, om het tijdperk te situeren, een romance had met de muzikant Daan Stuyven...
Meteen de dag nadat die Supermanrotzooi weer achter de rug was, maakte een nieuwe, ongekende nachtmerrie haar opwachting. De in zijn eigen stad zeker niet onbekende kunstenaar en organisator Ernst Potters organiseerde, op zondag twee juni, in een openbaar park in Tilburg een evenement getiteld “Een Beledigend Ontbijt”. Behalve ikzelf werden ook de auteurs Serge van Duijnhoven en Christophe Vekeman gevraagd daar present te tekenen, doch waar mijn collega’s alleen maar wat columns hoefden voor te lezen, werd ikzelf verzocht om de daad, zo zei Ernst me letterlijk, bij het woord te voegen; dwz. om de genodigden ter plaatse te trakteren op een staaltje belediging. “Je wil toch niet dat ik dat publiek wérkelijk beledig?” Zo vroeg ik hem vlak op voorhand nog eens een paar keer opnieuw. “Toch wel,” bleef hij maar zeggen. “De mensen zijn gewaarschuwd door de titel: een beledigend ontbijt.” Ik voelde heibel, nooit eerder zo erg. Het voelde aan als iets metafysisch. Eens in de zonnige voormiddag mijn ogenblik aanbrak, kwaat ik mij naar eer en geweten van mijn taak, en begon iedereen in de tuin aanwezig naar mijn beste vermogen verbaal te krenken. Wat ook mijzelf hard shockeerde. Iets unieks gebeurde hier wel, wezenlijk enigzins met een levitatie vergelijkbaar; alsof ik, onbeteugeld als spreker in het midden van wel een heuse sociale realiteit, loskwam uit tijd en ruimte; heel eventjes zag je die mensen nog bedenken:“We kunnen niet wérkelijk worden beledigd, dit is het opzet,” maar na een paar seconden al verdween die reserve, de menigte werd woedend, een paar mensen wilden me komen aanvallen,- Serge van Duijnhoven, een goede vriend van mij desalniettemin, gooide een glas wijn naar mijn hoofd; twee tekenaars gooiden verfpotten over mij; tot er opeens een stel bodyguards op mij afkwam; om mij van de grond te tillen. Wat gebeurde er? Ik werd de straat opgekeild, bepaald hardhandig. Hoorde dit bij het toneel, bij de show? Neen, de hele organisatie en iedereen anders, ook Christophe Vekeman, ook Ernst Potters, iedereen was in shock.
Het duurde nog maanden voor ik uiteindelijk werd uitbetalen. Terwijl ik dus maar draaide wat ze me hadden gevraagd.
Op 29 juni (voor het laatste trauma van de drie) stond ik, voor het tweede jaar op rij, tot mijn fiere vreugde geprogrammeerd op het Humorologiefestival te Marke, waar ik, aldus, naar uit had gezien; in de loop van de voorbije maanden was mijn act goed gerodeerd geraakt, maar toch vaak in kleinere zaaltjes, dankbare maar onbesproken jeugdhuizen in het land. Helaas, er stond mij een alom fnuikende neergang te wachten, bijzonderlijk doordat ik er, zo bleek, was geplaatst in de zogenaamde Biertent - niet als conferencier, maar als presentator. Dus een avond lang staan sterven voor een bier verslindende meute West-Vlamingen in openlucht, door wie, gelukkig wel, niet alleen ikzelf maar ook de acts die ik aankondigde, per halfuur meer onstuimiger werden weggefloten. Alleen de wereldvermaarde Picasso van de Belgische Humor, Kamargurkageraakte er die avond, als hoofdact én als Nieuwpoortenaar, zonder kleerscheuren vanaf.
Overigens moest Tante Kama, zo bleek, de volgende morgen voor een of andere boodschap in Antwerpen zijn, zodat hij een lift kon krijgen van Prinses Riki. Zo belandde ik bezijden hem op de achterbank, met in het midden, tussen ons in, mijn tachtigjarige echtgenote, Irene Vervliet, in ons gezelschap. Nog maar net onderweg vroeg Irene Kamagurka onverwijld:“Zeg eens,- zijt gij nu Kamagurka?”
“Jawel, mevrouw!” Aldus Kama zeer beleefd.
“Bah,” zei Irene. “Ik mag u niet.”
“Niet?” Zo vroeg Kama lichtjes opgedirkt.
“Neen,” zo legde zij hem verder uit. “Ik kan echt totààl niet met u lachen.” Irene – onbeschoft als een apin – noemde dat eerlijkheid. Zijn internationale roem ten spijt, zou Kama dat kwetsuur jaren later nog, met Café Cultuur 2006, uit eigen beweging ter sprake brengen...
De acteur is een gevoelig mens.
Datzelfde jaar nog, nog 2002 aldus, werd Kamagurka in het weekblad Humo de vraag voorgelegd wie hij beste humorist vond van onze nieuwe, aankommende generatie. Hij antwoordde boudweg:“Vitalski vind ik heel erg goed.” Waarop Humo repliceerde:“Dit kan je niet menen.”
Een reactie in overeenstemming met die van het jaar tevoren, 2001; Bent van Looy, die ik inmiddels nog maar zelden tegenkwam, werd gevraagd welke lectuur hij rekende tot hét boek van de voorbije twaalf maanden. “Het Huis Met Het Jachtgeweer van Vitalski,” zei Bent kort. Waarop Humo repliceerde:“Dat kan niet.” En dan einde onderwerp.

4.
Na deze drie ongelukken die ik was opgelopen,- eerst in dat Supermanpak, daarna door toedoen van dat correct geheten “Beledigend Ontbijt,” en daar door op Humorologie te uitgejoeld als een misbaksel, oordeelde Prinses Riki, die er overal bij was, dat ik er inderdaad tussenuit moest - wel niet om te luieren, doch met de bedoeling, naar Vlaanderen toe duidelijk te maken dat ik geen folklore was. “Ze gaan u hier,” zei ze, “Niet eens WILLEN begrijpen.”
Zo kwam het dat we in het begin van de warme maand van juli naar het bolwerk van Charles Dickens overstaken, - later ditzelfde jaar zouden we deze reis twee keer overdoen met de trein, die eerste keer zaten we in een angstaanjagend gammele, minuscule airbus, overigens volgeladen met druk doende, in hun bagage en hoeden zwelgende, orthodoxe Joden. Een zwevende koekendoos die de hele tijd heen en weer schudde, zowel voor Riki als voor mijzelf was dit de enige keer ooit dat we serieuze vliegangsten hadden. Op een ogenblik leek het effenaf alsof we een salto in de lucht ondernamen. “Ik had dit niet mogen doen,” zei Riki.
Bij aankomst in Heathrow, de vlieghaven, was de --- etc; WORDT VERVOLGD

5 opmerkingen:

Luipaard Steffi zei

Tot dinsdag?
En zondag dan?
Ik had gehoopt u nog eens te zien...

Vitalski zei

ah ja zondag ben ik al trug voor die presentatie! x

Jim-Bar zei

meesterlijk vitalski

Kristo zei

Chapeau kameraad, doe zo voorts! Ik kijk uit naar een exemplaar als het gedrukt wordt!

Serge Baeken zei

echt te gek