robertus baeken, die de vader is van don vitalski, schreef het boek "leonard en ik", over zyn nonkel leonard, de fameuze beeldhouwer. over 82 afleveringen verspreid, worden die mémoires hier integraal gepubliceerd.
photo: Portret Henry Miller in Palmenhout - Voorzijde
LEONARD EN IK
door Robertus Baeken
32.
Vandaag vraag ik me af hoe hij het gesprek begon. Hier moest na mijn laatste bezoek onverwacht iets fenomenaals gebeurd zijn: een of andere verandering die nog in de lucht hing, een klein wonder waarvoor woorden tekortschieten, maar dat niettemin moet uitgesproken worden. Niet dat Miller hem met zijn boek in één klap de ware aard van leven en kunst had onthuld of dat de grond onder Leonards voeten had gebeefd. Zo gauw was hij niet van zijn stuk te brengen! Tot mijn stomme verbazing kreeg ik van hem te horen dat hij nog nooit eerder zo sterk door een boek was aangegrepen. In zijn geestdrift haalde hij enkele scènes aan die ik me vaag herinnerde, maar waarvan me zowel de menselijke tragiek als de humor ontsnapt waren. Ik knikte, en lang duurde het niet meer of samen met Leonard huilde en lachte ik om de sterke levensdrift en de fratsen van de clown Henry Miller. Zo vlug ik destijds tot de acceptatie van dit proza overging, zo onmiskenbaar zie ik vandaag hoe beïnvloeding daarbij een rol kan spelen. Het mezelf aangeprate idee nog te jong of onbevoegd te zijn om een tekst te waarderen, viel in één klap van me af. Ik nam me voor 'Zwarte Lente' ditmaal helemaal uit te lezen en beloofde Leonard bij mijn volgende bezoek 'De Kreeftskeerkring' voor hem mee te brengen.
'Ik ben een patriot - maar van wijk veertien, Brooklyn, waar ik ben grootgebracht. () De jongens die je aanbad toen je voor het eerst op straat kwam () Dat zijn de enige ware helden. Voor mij is Napoleon niets vergeleken bij Eddie Carney die me mijn eerste blauwe oog sloeg.' Aldus het begin van ‘Wijk Veertien’ uit ‘Zwarte Lente’. Maar dit keer was het of Leonard de woorden had opgepoetst: ineens werd ik getroffen door de ontwapenende eenvoud, de heldere formulering, de krachtige zegging van waarheden, die ik me tot dan nauwelijks bewust was geweest. Voor het eerst zag ik in dat schoonheid niet gezocht moet worden, daar zij niet op zichzelf bestaat, maar literair nauw verweven is met waarheid: de subjectieve waarheid van de auteur, van de lezer, van de universele menselijke conditie waarbij het inderdaad dient te worden toegegeven dat er ook leven is onder de broeksriem. Uit deze overweging ontstond plotseling een kiem van hoop. Want als een persoonlijke waarheid voor de schepping van een kunstwerk dienstbaar kan zijn, kwam ikzelf ook in aanmerking om schrijver te worden. Millers autobiografische geschriften legden uiteraard sterk de nadruk op het levensgevoel en het persoonlijke aspect van de kunstenaar. En was hij - het genie - ook niet slechts een straatjongen uit Brooklyn?
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten