robertus baeken, die de vader is van don vitalski, schreef het boek "leonard en ik", over zyn nonkel leonard, de fameuze beeldhouwer. over 82 afleveringen verspreid, worden die mémoires hier integraal gepubliceerd.
LEONARD EN IK
door Robertus Baeken
35.
‘Zwarte lente’ boeit door zijn speelsheid, de chaotische structuur, de humor, het ongelooflijke zelfvertrouwen, de hartstocht, de primitieve, rauwe kleuren, de onverwachte wendingen waarmee zoals bij een muziekstuk, eerdere thema’s terugkeren en indringender worden. Ik herhaal: voor ons werd ‘Zwarte Lente’ als eten en drinken. Gedurende vele jaren lag het boek met zijn zwarte stofomslag als een zwarte bijbel onder mijn hoofdkussen, heb ik het vastgenomen en op een willekeurige bladzijde geopend. Nooit had ik de indruk bezig te zijn met literatuur. Altijd voelde het zo aan of ik met de auteur op een hoek van de straat een praatje hield over zijn onderwerpen die mij ook zo fascineerden.
Het is vanzelfsprekend dat ik in tal van opzichten weinig met Miller gemeen had, maar zijn persoonlijkheid kwam me zo sterk en ontwapenend voor dat al mijn reserves wegvielen.
Helemaal anders werd het als ik het boek weer dichtsloeg en geconfronteerd werd met mijn eigen leefwereld. Ingebed door een kleinburgerlijke, overgeorganiseerde samenleving en een beschermende familie, wekte het bohémienleven waarover ik las in mij het gevoel of ik voor de rest van mijn leven in een kooi zat opgesloten. Het grote verschil tussen ons zat hem hierin dat Miller bereid geweest was brokken te maken en ik niet. Zijn sterke persoonlijkheid zag ik louter als een gevolg van zijn zelfzeker en overtuigend schrijverschap. Ik was enkel een brave zoon, die uit genegenheid en bezorgdheid voor zijn moeder een behoorlijke uitslag op school had behaald. Een jongeman die, ter wille van haar, bereid was tot heel wat compromissen, die geen vragen stelde en nu braafjes zijn militaire dienstplicht vervulde. De vriend van Leonard, dat wel, maar verder totaal onwetend, - een snotneus. Ik probeer hiermee het pijnlijke besef om een tekort te vertolken, het gevoel van onbehagen dat mij bekroop in tijden dat ik me, zoals vaak na het lezen van Miller, bewust werd dat er nog een ander leven mogelijk was dan het lopen in de pas van de maatschappelijke tredmolen, zoals mijn toekomstig lot me reeds voorspiegelde: geestrijker, opwindender, artistieker.
Vanuit dit heftige gevoel begon ik op mijn beurt proza te schrijven. Aanvankelijk had ik weinig oorspronkelijks te vertellen. Bovendien ontbrak het mij aan de techniek en het nodige uithoudingsvermogen om mijn teksten af te ronden tot een sluitend geheel. Ik stond nergens. Maar ik had het heilige vuur in me en ik putte een enorme kracht uit de al even sterke persoonlijkheid van Leonard die, gezien de eindeloze toewijding aan zijn kunst, Millers voorbeeld om zijn roeping te volgen, niet eens nodig had.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten