LEONARD EN IK
door Robertus Baeken
41.
Toen Simone en ik op de dag van Driekoningen in 1966 trouwden, kwam hij, mijn beste vriend, naar het feest. Als huwelijkscadeau gaf hij het mooiste van zichzelf: zijn allereerste houten portret van Miller, iets dat wij echt niet verwacht hadden. Ik stond sprakeloos en was hem ongelooflijk dankbaar; niet enkel ter wille van deze prachtige gift, maar vooral om de morele steun: de aanwezigheid van het portret in mijn buurt zou me blijvend aan mijn roeping herinneren. Onder Millers oog zou ik me verder als schrijver ontwikkelen. En helemaal naar diens levenskijk, wilde ik niets ontwijken van wat het leven op mijn pad bracht.
Op aanraden van mijn moeder, die zelf een erg commerciële aanleg had, nam Simone een weinig rendabele kruidenierswinkel over. Wat op het eerste gezicht goed bedoeld was, werd echter al gauw strijdig met mijn schrijversambitie; want de zaak bleek weldra zo'n opslorpende bezigheid dat mijn vrouw, die bovendien zwanger was, het werk niet langer in haar eentje aankon. Als ik dan 's avonds pas rond halfzeven uitgeput van mijn werk kwam, diende ik in plaats van te schrijven eerst nog de rekken aan te vullen, statiegoederen te sorteren, bestellingen te noteren, een bol kaas middendoor te snijden, schepijs te fabriceren, enz. Daar de winkel ook gedurende etenstijd geopend was en de soep van mijn vrouw, die bezig was klanten te bedienen, al tien minuten stond koud te worden, stak ik in de winkel vaak ook een handje toe. Zo kwam er echter nooit een einde aan. Het had een hondenleven kunnen zijn. Maar wij waren jong en smoorverliefd op elkaar; en van schrijvers als Dostojewski en Miller leerde ik dat zelfs een hondenleven leerzaam en dus de moeite waard kan zijn. Daarnaast waren er trouwens nog heel wat lichtpunten. Wij gingen wekelijks uit en kregen al eens bezoek van bevriende jonge kunstenaars, zoals de kunstschilder Peter Van Tongerloo, met wie we bij een glas wijn en kaarslicht naar cooljazz luisterden, discussieerden, of elkaar een gedicht voorlazen.
Zeldzamer waren de bezoeken van Leonard aan ons adres. Ik herinner me nog levendig zijn plaats in de fauteuil naast de kachel, terwijl hij me uitlegde hoe tijdens het beeldhouwen, maar vast ook bij het schrijven, tot in het kleinste detail alles vanzelf moet gaan. (Schrijven of beeldhouwen: voor hem kwam elke discipline op hetzelfde neer.)
'Zichzelf zijn in je kunst betekent dat je altijd juist zit,' zo onderrichtte hij me. 'Het is raak of niet! Een schot op één millimeter naast het doel is als vergissing even groot als een afwijking van tien miljoen lichtjaren.'
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten