zaterdag 8 oktober 2022

GAST-AUTEUR

robertus baeken, die de vader is van don vitalski, schreef het boek "leonard en ik", over zyn nonkel leonard, de fameuze beeldhouwer. over 82 afleveringen verspreid, worden die mémoires hier integraal gepubliceerd.

photo: Links mijn neef, de dichter Johan Van Nijen, poserend bij het portret van Henry Miller - 1965


LEONARD EN IK

door Robertus Baeken 



30.

DEAR FRIENDS, ROBERT AND LEONARD


Kleine gebeurtenissen hebben soms grote bestemmingen of blijken later genoeg te bevatten om fragmenten van het dagelijkse leven, voorbeschikt tot vergetelheid, boven de beperkingen van het geheugen uit te tillen. Zo zal ik me altijd het moment herinneren dat ik uit de mond van mijn één jaar oudere neef Johan Van Nijen, wiens gedichten ik zeer bewonderde, tijdens een gesprek op de hoek van een straat, voor het eerst de naam van de Amerikaanse schrijver Henry Miller hoorde. Wij waren pas afgestudeerd. Waarschijnlijk gebeurde het in de zomer van 1962, naar aanleiding van de eerste druk van Millers Tropic of Cancer in Nederlandse vertaling. Deze heilige zondaar, zo beweerde Johan, zou de grootste vuilschrijver zijn die ooit had rondgelopen. Ik spitste mijn oren, want ik had een heimelijke voorkeur voor bohémiens, marginalen, poètes maudits en bizarre figuren. Door mijn gebrekkige kennis van het Frans had ik van Arthur Rimbaud evenmin een letter gelezen, maar om dezelfde reden sierde zijn portret mijn kamer. Vuilschrijverij zei me, tenminste zolang het een literair label droeg, trouwens ook wel iets. Het bezorgde me een alibi voor mijn nieuwsgierigheid naar een werkelijkheid waarvan ik, jongeman, slechts weinig afwist. In die tijd lag seks nog helemaal in de taboesfeer. Ik zag best in waarom het voor het maatschappelijke openbare leven noodzakelijk is om fatsoenlijk voor te komen, maar tegelijkertijd voorvoelde ik het als een van de verborgen oorzaken waarom mensen hypocriet zijn of bij hun confrontatie met de waarheid, gemakshalve gauw een bochtje om lopen.

   Ik kreeg het boek van Miller te pakken en het eerste wat me opviel, was de platte, ogenschijnlijk weinig literaire taal die me bij wijlen met een zekere argwaan deed afvragen of ik hier te maken had met een slordig schriftuur, dan wel met een opzettelijk ontwrichten van alle bellettrie. Ook vormelijk leek het nergens naar. (Zoals de Franse schrijver Jean Genet citeerde: ‘Die man praat maar door.’) Ik nam aan dat het een authentiek verslag was van een Amerikaanse hoerenloper in Parijs; en het gebruik van schuttingwoorden was zeker een nieuwe verworvenheid, misschien wel een bedenkelijk decadent trekje van de hedendaagse literatuur. Opmerkelijk vond ik eveneens de flaptekst, die speciaal leek geschreven om de gêne van de lezers van toen te ontzenuwen. Met grote woorden als ‘kosmisch levensgevoel, geloof en liefde,’ werd door de Deense criticus Peter P. Rohde de ‘mysticus’ Henry Miller in onze lage landen binnengehaald. Ik nam aan dat ik nog niet de rijpheid bezat om het werk van deze auteur zo diep te peilen. Voor mij was het onder meer zo klaar als een klontje dat de man een gezonde knaap was die graag met vrouwen naar bed ging en ermee uitpakte dat hij zonder morele bezwaren naar de hoeren liep. Zo, daarmee was de kous voorlopig af.


(WORDT VERVOLGD...)

Geen opmerkingen: