De vrouw stond al wat hoger. Achter mij hoorde ik Karl zijn bewondering voor haar als een schooljongen van tussen de tanden wegfluiten. Zelf voelde ik de verleiding om mijn blik te laten zakken naar het gedeelte waar haar knieën in de donkere schaduw onder haar rok verdwenen. Maar omdat ik me in haar ogen niet aan een soortgelijke, brutale lompheid als die van mijn makker wilde bezondigen, wachtte ik tot zij zich had omgedraaid. Toen was ik getuige hoe ze haar rok met beide handen tot een smalle buis bijeentrok en, ons het zicht op haar billen ontnemend, met uitdagende elegantie de trap beklom. Beter dan wanneer zij ons quasi onschuldig haar kont had laten zien, begreep ik de macht van mijn verbeelding. Haar bedekte lichaam bleef als een wellustig plaatje voor mijn ogen zweven.
'Wat een stoot!' fluisterde Karl, zijn stem vol bewondering. Terwijl de vrouw langs de overloop verdween, sprong hij op de eerste trede, trok zijn gulp open en maakte enkele obscene gebaren.
Zodra de deur dichtsloeg, begon ik Karl te berispen, - niet uit kwaadheid, zoals ik voorwendde, ook niet om hem de elementairste regels van fatsoen aan het verstand te brengen, maar enkel om te vermijden dat hij het bij een volgende gelegenheid helemaal voor me zou verknallen.
Karl mokte. Ik wist dat hij me verwenste met uitdrukkingen waarvan hij door zijn beperkte woordenschat dikwijls verkeerd gebruikmaakte. Maar gelijk had hij, dit keer. Ik was inderdaad een 'hypocriet’ en ‘verrekte bourgeois'. Feitelijk had hij op een weliswaar primitieve wijze ook mijn dierlijke verlangens vertolkt. Bovendien kon ik nooit echt boos op hem worden. Daarvoor bevatte zijn hoofd te weinig geheimen. In de jungle van onze samenleving was hij als een wilde: speelziek, kinderlijk naïef, barbaars. Een typisch voorbeeld van die zogenaamde barbaarsheid was zijn gebruik - of misbruik - van het draagbare radiootje dat hij bij elke opdracht binnen handbereik op zijn werkplek neerzette. Het onverteerbare gestamp en gedreun van een of andere lokale zender zou zijn arbeid opvrolijken. Toen hij ook nu weer de volumeknop helemaal opendraaide, reageerde ik mateloos geërgerd. 'Die ouwe daarboven slaapt nog!' snauwde ik.
'Maakt niks uit!' overschreeuwde hij het ritmisch gestamp. 'Dadelijk beginnen we toch te hameren!'
'Maar je moet het voor hem niet nog erger maken.'
Meteen zodra hij zijn rug draaide, zag ik mijn kans schoon om een ander kanaal te kiezen. Het harde slagwerk maakte plaats voor het langzame gedeelte uit een of ander vioolconcerto dat naar mijn bescheiden kennis van klassieke muziek, best van Brahms of Beethoven had kunnen zijn. Maar lang duurde het niet of Karl drukte de keuzeknop met de opmerking dit kattengemauw niet langer te kunnen harden, terug naar zijn oorspronkelijke stand. Zo ging door ons beider toedoen de knop nog enkele keren met dezelfde knorrige geste heen en weer. Tot Karl me ervan beschuldigde dat ik in de ogen van dat lekker wijf naast fatsoensrakker ook de fijnzinnige intellectueel wou uithangen, en ik het opgaf. Ik heb een hekel aan vals fatsoen. Evenmin wil ik als een intellectueel aanzien worden; al kwam Karl, sinds hij me eens had betrapt met ‘La Nausée’, die roman van Sartre, om de haverklap met dat scheldwoord aandraven.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten