zondag 17 april 2022

GAST-AUTEUR

DE TRAP

door gastauteur Robertus Baeken, vanuit de timmer-kamer...


4.

De vrouw stond al wat hoger. Achter mij hoorde ik Karl zijn bewondering voor haar als een schooljongen van tussen de tanden wegfluiten. Zelf voelde ik de ver­leiding om mijn blik te laten zakken naar het ge­deelte waar haar knieën in de donkere schaduw onder haar rok verdwenen. Maar omdat ik me in haar ogen niet aan een soortgelijke, brutale lompheid als die van mijn makker wilde bezondigen, wachtte ik tot zij zich had omge­draaid. Toen was ik getuige hoe ze haar rok met beide handen tot een smalle buis bijeentrok en, ons het zicht op haar billen ontne­mend, met uitda­gende elegantie de trap beklom. Beter dan wanneer zij ons quasi onschuldig haar kont had laten zien, begreep ik de macht van mijn verbeel­ding. Haar bedekte lichaam bleef als een wellustig plaatje voor mijn ogen zweven.

   'Wat een stoot!' fluisterde Karl, zijn stem vol bewondering. Terwijl de vrouw langs de over­loop verdween, sprong hij op de eerste trede, trok zijn gulp open en maakte enkele obscene gebaren.

   Zodra de deur dichtsloeg, begon ik Karl te berispen, - niet uit kwaadheid, zoals ik voorwendde, ook niet om hem de elementairste regels van fatsoen aan het verstand te brengen, maar enkel om te vermijden dat hij het bij een volgende gele­genheid helemaal voor me zou verknallen.

   Karl mokte. Ik wist dat hij me verwenste met uitdrukkingen waarvan hij door zijn beperkte woor­denschat dikwijls verkeerd gebruikmaakte. Maar gelijk had hij, dit keer. Ik was inder­daad een 'hypocriet’ en ‘verrekte bourgeois'. Feitelijk had hij op een weliswaar primitieve wijze ook mijn dierlijke verlangens vertolkt. Bovendien kon ik nooit echt boos op hem worden. Daarvoor bevatte zijn hoofd te weinig geheimen. In de jun­gle van onze samenleving was hij als een wilde: speelziek, kinderlijk naïef, barbaars. Een typisch voor­beeld van die zogenaamde bar­baars­heid was zijn ge­bruik - of misbruik - van het draag­bare radiootje dat hij bij elke opdracht binnen handbereik op zijn werkplek neer­zet­te. Het onver­teerbare gestamp en gedreun van een of andere lokale zender zou zijn arbeid opvrolij­ken. Toen hij ook nu weer de volume­knop helemaal open­draaide, reageerde ik mateloos geërgerd. 'Die ouwe daarboven slaapt nog!' snauwde ik.

   'Maakt niks uit!' overschreeuwde hij het ritmisch gestamp. 'Dadelijk beginnen we toch te hameren!'

   'Maar je moet het voor hem niet nog erger maken.'

   Meteen zodra hij zijn rug draaide, zag ik mijn kans schoon om een ander kanaal te kiezen. Het harde slagwerk maakte plaats voor het langzame gedeelte uit een of ander vi­oolconcerto dat naar mijn bescheiden kennis van klassieke muziek, best van Brahms of Beethoven had kunnen zijn. Maar lang duurde het niet of Karl drukte de keuze­knop met de opmerking dit kattengemauw niet langer te kunnen harden, terug naar zijn oorspronkelijke stand. Zo ging door ons beider toedoen de knop nog enkele keren met dezelfde knorrige geste heen en weer. Tot Karl me ervan beschul­dig­de dat ik in de ogen van dat lekker wijf naast fatsoens­rakker ook de fijnzinnige intellectueel wou uithangen, en ik het opgaf. Ik heb een hekel aan vals fatsoen. Evenmin wil ik als een intellectueel aanzien worden; al kwam Karl, sinds hij me eens had betrapt met ‘La Nausée’, die roman van Sar­tre, om de haverklap met dat scheldwoord aandraven.


(WORDT VERVOLGD...)

Geen opmerkingen: