robertus baeken, die de vader is van don vitalski, schreef het boek "leonard en ik", over zyn nonkel leonard, de fameuze beeldhouwer. over 82 afleveringen verspreid, worden die mémoires hier integraal gepubliceerd.
LEONARD EN IK
door Robertus Baeken
36
Het was altijd prettig om tijdens mijn bezoeken onze leeservaringen uit te wisselen. Als ik Leonard vertelde hoe sterk ik was aangegrepen, - bijvoorbeeld door de scène waarin Miller in het verhaal ‘De kleermakerij’ zijn tante naar het krankzinnigengesticht brengt - had hij wel iets anders: een of andere vrolijke noot of clowneske beschrijving, kenschetsend voor de humor, de levensblijheid, de nuchterheid, die ondanks alle beschreven hardheid en grauwe ellende toch steeds de belangrijkste ondertoon van Millers werk is gebleven. Het viel me op dat het clowneske aspect Leonard sterk aansprak. Mij trof vooral de grote eenvoud waardoor nogal gauw de verkeerde indruk wordt gewekt dat het een makkie is om zo te schrijven. Iemands stijl of persoonlijkheid nabootsen heeft echter geen verdienste. En toch verviel ik in dit euvel. Aangestoken door het werk van Miller kreeg ik wel een mooi steuntje in de rug, maar tegelijkertijd werd ik erdoor verhinderd vanuit mijn eigenheid te vertrekken.
Van neef Johan, die ondertussen ook begonnen was met het schrijven van proza, ontving ik een brief waarin stond dat hij een nieuwe vertaling van Miller gelezen had, namelijk ‘De kolossus van Maroussi’, het verslag van een jaar lange zwerftocht door Griekenland. Nog diezelfde avond bezocht ik de kazernebibliotheek en vond daar in het rek een al vier jaar oud, wat beduimeld exemplaar. Mijn vreugde was groot en ik vatte de lectuur onmiddellijk aan.
Millers enthousiasme voor Griekenland werkt aanstekelijker en overtuigender dan de beste reisgids, en ik neem aan dat zijn boek ook al een menigte toeristen naar ginds heeft gelokt. Wel begreep ik dat hij het over een ander Griekenland had dan datgene wat het voor het toerisme zo aanlokkelijk maakt. Na zijn verblijf van tien jaar in Parijs werd hij geconfronteerd met de levenswijze van een volk dat in al zijn eenvoud en kinderlijke spontaniteit sinds de oudheid nauwelijks veranderd was. Daarbij trof hem het Griekse karakter, met zijn gastvrijheid, sereniteit, zorgeloze armoede, vrolijkheid; allemaal uitingen van een menselijke staat van onschuld, van puurheid. Het kwam Miller voor dat hij naar Griekenland moest reizen om hier de voor hem verborgen krachtlijnen te ontdekken die zijn leven hadden gestuurd. Het boek levert een reflectie op die de lezer wijzer maakt over het echte Griekenland, over Miller zelf, over het leven zoals hij het ziet. In het historische verleden is hij nauwelijks geïnteresseerd. De ruïnes uit de oudheid dienen uitsluitend om het heden en zichzelf te begrijpen. Zo betreedt hij het graf van Agamemnon en verbeeldt zich het leven van de mensen als goden.
‘Agamemnon is hier. Hij vervult de stille koepel, hij stort zich naar buiten in de open lucht, hij overstroomt de velden, hij verheft de hemelen. De herder wandelt en spreekt dag en nacht met hem.’
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten