vrijdag 3 december 1999

kronieken van de knekelman


I.
Die middag dacht de Knekelman dat hij een sprinkhaan hoorde. Een sprinkhaan die speciaal voor hem op zijn viool was komen spelen. Want wat ging er gebeuren met hem? (De Knekelman ging vandaag, voor de eerste keer in zijn leven, naar de hoeren gaan.)
Hij rolde uit de wikkels van een w.c.-papiertje een oude blok van zeep te voorschijn en smeerde die, in plaats van over zijn kaken en zijn mond nauwgezet uit over zijn droge lippen. (Hij overwoog het zelfs om hem dieper tussen zijn tanden te steken, om erop te kunnen bijten). Vandaag mocht alles. Het sop droop van zij kin, maar niemand kon hem ook zien.
Hij bukte zich naar het vuilnisemmertje en pakte er nog meer w.c.-papiertjes uit. Hij begon ermee om zijn gezicht ermee droog te vegen. Hij wilde weer in de spiegel kijken of hij er beter uitzag, maar dan dacht hij: moest dat eigenlijk wel? Er goed uitzien? Misschien voor een mens die er zelf goed uitzag. Vandaag kon de Knekelman er gerust ook afstotelijk doorkomen. Een schele vrind of een vriendin zonder tanden. Een pastoor met geplombeerde tanden. Een Knekeloer.
Hij trok een broekje aan dat over zijn strozak lag en hij trok een paar sandalen aan. Hij kroop langs zijn strozak om de deur een klein beetje open te zetten.
De Worstelaars trokken aan lange, rammelende kettingen een tentzeil weg, over de camionet. De Prediker en Trixie en de Minotaurus waren er al mee bezig de lampiondraden uit te hangen aan een lange metalen kabel, die trekkabel waarover ze gisteren nog uitgebreid gediscussieerd hadden. En in één van de knotwilgen zag hij ineens het Slangenmens liggen, zijn kop verborgen tussen twijgen. Het Slangenmens was ermee bezig te doen alsof hij in slaap was, alsof hij een middagdutje deed. Maar, zo zag de Knekelman, het, hij bewoog zich een beetje. Hij bewoog zich met zijn elleboog. De Knekelman kroop dan maar naar buiten langs de achterkant. Hij klom door het raampje. Dat had hij al wel meer gedaan. Buiten ging hij achterom over het terrein. Hij kwam nog langs het Knekelhuisje. Het stond er nog steeds naast de remork, nog maar half uitgepakt, alsof het er verstopt was. Er hing onderaan nog een stuk van een plastic zeil rond, dat er met een snelbinder aan vast was gebonden. Alleen maar het schuifje was niet op slot. Hij schudde eraan om erdoor naar binnen te kunnen kijken, en dan begon hij te denken aan waar hij zijn sleuteltjes kon hebben gelaten. Nog bij de Minotaurus? Nog bij Alfred Rosengarten Nevada? Bijna was het te laat! Maar dan begreep hij opgelucht, dat zelfs het Knekelhuisje eigenlijk niet veel waard meer was. Het was er klammig in, en niemand was er iets in verloren. Niemand. Vandaag zou het de eerste dag zijn in de tijd, dat er een Knekelman was die het weigerde om erin weg te kruipen. Hij rook nog aan het vernis van het hout, en dan ging hij weer verder over het terrein. Hij hoorde nog iemand timmeren met een hamer op een piket, achter de caravannen. Hij ging naar het gat in de draad. Hij keek nog naar het plakkaat dat hij er zelf, met een ijzerdraad, aan vast had geknoopt. De C van Circus Bulderdrang was eraf verweerd. Daaronder stond er geschreven: met gloednieuw spektakel! De Leeuw sprong met zijn voorpoten door een brandende ladder, en in de hoek stond er de Minotaurus. Hij stond er met gekruiste armen, met Trixie op zijn schouders, met haar tieten tussen zijn horens. Het was een plakkaat van toen ze hier pas waren. Er was nog een spoor over van de heftruck die ze toen hadden.  Toen hij door het gat in de draad naar buiten was geraakt, kon hij, als hij het wilde, gewoon voorstappen en oversteken. Maar toch durfde hij het om eerst nog een kleine omweg te maken. Hij ging nog langs de Waterpoort. Hij ging langs het basketbalterrein.
Over de dranghekken rond het basketbalterrein hingen er takken van struiken met felle witte bloesems eraan, met dikke, felle vlokken. Hij kon er misschien, voor de hoer die hij eruit zou kiezen, zo een van die takken van loswrikken. Het was zeker dat zelfs een hoer daardoor gecharmeerd zou zijn. Hij zou, als hij bij haar naar binnen kwam, tegen haar zeggen: dit is de allereerste keer in mijn leven dat ik naar een hoer ga. Ik heb dit hier speciaal voor jou los getrokken, omdat ik nog verlegen ben. De hoer die hij eruit koos, zou ze aanpakken en ergens wegleggen. Ze zou er zeker door in de stemming komen. Misschien zou hij door de hoer die hij eruit koos ook nog helemaal bezeten geraken. Misschien zou hij altijd in hetzelfde bordeel naar binnen gaan, en altijd achter dezelfde vragen. De anderen die met haar samenwerkten, zouden hem al kennen. Daar heb je, zouden ze gibberen als ze hem van in de verte eraan zagen komen, daar heb je de Knekelman weer, van Circus Bulderdrang! Hij is weer op zijn sandalen, en hij heeft opnieuw een bos bloesems voor haar bij!
Iedere klant die dikwijls bij ze terugkwam, had na een paar keer al een bijnaam van ze. Welke bijnaam, dacht de Knekelman, geven ze aan mij? En ze wisten het ook op voorhand wie ze nooit meer zouden terugzien, en wie ze, in tegenstelling daarvan, nog tien, twintig, dertig keer zouden terugzien. Wie tot in het oneindige zou blijven terugkomen, voor altijd naar dezelfde. Onder de schaduw van de bladeren zat er een kinderturkje. Of eerder, het was een Bohemertje. Het zat er met zijn knieën over een skateboard. Het zat er met een fles in zijn handen. Jack Daniels, zei het. Meer niet. Het zat daar waarschijnlijk om die fles aan een voorbijganger te kunnen verkopen. Maar ze was bijna leeg, alleen nog de bodem. Hoeveel, zei de Knekelman, terwijl hij tot stilstand kwam. 
Honderd, zei het Bohemertje. De Knekelman wilde naar zijn portefueille pakken. Maar hij merkte: hij had geen portefueille. Dus had hij geen geld. Dus kon hij ook niet, totaal niet, naar de hoeren gaan. Hij kon in plaats daarvan iemand versieren, een grietje uit het publiek morgen, dat kostte hem geen Frank. Maar het moést een hoer zijn, dat moést juist! Maar hij kon natuurlijk nog even binnenspringen bij de Irrelevantman. Die stond bij hem al jaren in het krijt. Hij stond opgesteld op het Wandelterras, dus de Knekelman zou er vanzelf langskomen. Vijftig Frank, zei het Bohemertje, om hem een toegeving doen. De Knekelman kreeg een idee. Hij deed zijn T-shirt zonder mouwen uit. Hij pakte het bij de zomen en trok het, zo rap als hij het kon, uit over zijn kop. Wat denk je, zei hij, terwijl hij zijn haar weer goed drukte. Mijn T-shirt voor zo een slok... Het Bohemertje pakte eerst het T-shirt aan. Het bekeek het traag. Het gaf pas daarna, ook heel traag, de fles door. De Knekelman wilde er niet direct al van drinken. Hij stapte met de fles tussen zijn twee handen weer voort over de straat. Tegen het Bohemertje zei hij niets meer. Hij verdween al achter de struiken achter de hoek. Ze zullen natuurlijk denken dat ik reclame maak, als ze me zien. Ze zullen denken dat ik in mijn blote bovenlijf door de straten wandel, om reclame te maken voor Circus Bulderdrang. Pas in de doorgang naar de Kaaien, waar niemand hem kon zien, dronk hij de Jack Daniels in één slok op, en in nog een kleine halve slok wat later. Hij wilde zich niet bezatten: dit was maar voor de smaak ervan. De lekkere smaak ervan die zich vermengde met de ook wel lekkere smaak van de zeep. Hij ging dieper in op de vraag waarom het dan per se, zoals hij het zelf vond, een hoer moest zijn. Hij wilde dat al van jaren geleden, toen hij met Nevada voor de eerste keer naar buiten was kunnen ontsnappen. Hij zette de fles, toen er nog altijd niemand was die naar hem aan het kijken was, op een lage, betonnen vensterbank. Hij naderde de kasseienweg. Het eerste dat hij zag in de verte, was niet de Schelde, maar de Antwerpse Kathedraal. Het was windstil en er hing een warme, zweetachtige lucht, maar de Kathedraal stond er in de verte in recht alsof het een pegel was. Het was de grootste kathedraal van de Lage Landen. Heiligheid, dacht de Knekelman, heeft er misschien ook iets mee te maken. Hij merkte hoe zijn lichaam al wat lichter was beginnen te voelen. Het was alsof hij zich, zoals de Slangenmens het hem eens had uitgelegd, alsof hij zich in een overgangsfase van een levitatie bevond. Grietjes die het uitlokken dat je ze komt versieren, zijn de ondergang. Maar hoeren die het gewoonweg voor het geld doen, met iedereen die betaalt, zijn misschien heilig. Hij stak over over een stukje gras, tussen de verroeste, afgedankte treinrails. Hij paste ervoor op dat hij niet recht in een hondendrol zou trappen. Ze lagen er alsof ze er gezaaid waren door iemand. Dan stapte hij over de bilzen tussen de paardebloemen. Nevada was ooit in Krakau geweest, en daar, in een buitenbuurt, had hij een maîtresse gehad. Een echte maitresse met een vierkanten kont, waarmee hij mocht doen wat hij wou. Maar op een keer was hij bij haar thuisgekomen, en zei ze na een tijd, nadat ze er al mee begonnen waren om elkaar te kussen, dat hij stonk. Ze zei het alsof het haar speet. Ze lagen elkaar te strelen in haar mansarde, en dan snuffelde ze aan Nevada zijn armen, en aan zijn ellebogen, en zei ze dat hij stonk. Eigenaardig, zei Nevada. Maar toen gingen ze het uitzoeken. Ze ontdekten samen dat hij onderweg naar dit afspraakje met haar, in een hondendrol moest zijn gestapt. Hij was met die drol aan zijn bottinen bij haar naar binnen gekomen, en overal lag het er nu vol mee. Over haar nachtkastje en al. Wat een schandaal, zei de Knekelman het bijna hardop. Maar dat was juist het nadeel van versieren. De Knekelman was voor versieren eigenlijk allergisch. Een hoer zou hem voor een hondendrol alleen maar hebben uitgelachen. Al was het een leeuwedrol. Een maitresse niet, de maitresse van Nevada gedroeg zich beschaamd. Nevada had haar nog een tongkus gegeven, en daarna was hij weggegaan. Voor altijd. Dat maîtressetje uit Krakau! dacht de Knekelman. Maar wel een lekker stuk, als het waar was dat ze zo een kont had. Hij dacht aan de Irrelevantman. De Irrelevantman wilde ook wel eens naar de hoeren, op een dag. Omdat hij ook zo eenzaam was. Maar hij zou het dan niet aankunnen om eraan te denken dat hij de enige niet zou zijn, maar dat er voorgangers zouden zijn geweest en nog meer voorgangers, en nog meer, die allemaal op diezelfde vrouw zouden hebben gelegen. Zo zei de Irrelevantman het letterlijk: de gedachte dat er nog zaad van een voorganger in ligt, is ondraaglijk voor mij. Maar waarom eigenlijk, dacht de Knekelman. Als het nog een beetje warmer was, en je zou nu in de Schelde kunnen zwemmen... Pak dat ze speciaal voor de Irrelevantman zo een laddertje zouden aanleggen om hem in de Schelde te kunnen laten zwemmen: wie zou er dan zijn kop over breken als er in al dat water ook nog andere mannen waren, die erin bezig waren? Kijk hoe breed voor hem alleen de Schelde zou zijn. Hoe* onoverzienbaar. Een hoer, een echte, ingewerkte hoer, was toch onoverzienbaar. Een hoer, een echte, ingewerkte hoer, was toch hetzelfde? Zoals die stoomboot die er ginder over het water dreef. Er hing over het water ook een hemelse mist, en hier en daar scheerde er een prachtige zeevogel over. De stappen van de Knekelman waren intussen vanzelfsprekend geworden. Nu was hij hier, bij de Schelde; en hij was er totaal; en later... Maar nu was hij hier en nu, en alles was zoals het moest zijn. Hij had totaal geen behoeften meer. Alles was magisch. Totdat het vooruitzicht op de hoeren onder de Kathedraal hem weer wakkerschudde. Hij was al meer dan halverwege. Maar zou hij wel een stijve kunnen krijgen? Zo een hoer kende wel truukjes, maar als hij te zenuwachtig zou zijn, als hij te onzelfzeker zou zijn, hoe zou ze dat dan opvangen? Ze zou hem door zijn onderbroek pakken. Ze zou hem door zijn ballen knijpen. Juist iets te hard, maar dat moest ook. Ze moest echt zijn. Echt, zoals de hele dag al alles dat hij voelde echt was geweest. Volgens de Slangenmens was dit, wat de Knekelman nu meemaakte, een levitatie. Volgens de Slangenmens was de levitatie ook iets dat echt was. Maar misschien legde de Slangenmens het anders uit, en had de Knekelman hem dan toch niet goed begrepen. Dit was wat de Irrelevantman altijd zei: laat de Slangenmens maar zeiken. De Slangenmens heeft succes bij de grietjes. Voor hem is dat gemakkelijk. Als je zo eenzaam bent als ik, heb je wel nog andere zorgen aan je kop dan levitaties. Dan is het al vechten voor een beetje erkenning. Het barakje van de Irrelevantman werd al zichtbaar. De Irrelevantman had zich wat meer buiten het Circus mogen opstellen, om een uitzicht te kunnen hebben op de Kathedraal. Maar misschien was er bewaking. Hij zag er iemand op de planketten zitten die niet de Irrelevantman zelf was, maar duidelijk iemand anders. Om zich voor te bereiden op wie het dan wel was, want het was toch al te laat om terug te draaien, keek de Knekelman rap nog naar het water. Er was geen verkeer meer op, alleen nog die vogels, die krasten. De man die er zat, was Alfred Rosengarten Nevada. Hij zat er met zijn knieën in een afgewassen jeansbroek. Hij rookte een sigaar, een Danneman natuurlijk. Met een zakmes was hij er mee bezig om in iets te snijden, dat waarschijnlijk een rietstengel was. Ook even weg van het Circus? vroeg de Knekelman al vanop een afstand. Naast Nevada stond er een campingtafeltje, en daarop stond er de kartonnen Kathedraal. Ze was in al die jaren, zag de Knekelman, nog maar amper gevorderd. De toren hing scheef en de voorpoortjes waren nog verkreukeld en met lijm erop. Nevada keek met samengeknepen oogjes naar hem op. Ik ben aan het bouwen aan een vlot, mompelde hij. Hij wees naar de grond, naar een stapel van paletten die er lag. Ik ben er al van gisterennacht mee bezig. Hij stak het zakmes tussen zijn tanden. Hij klapte zich over een dijbeen. Een weddenschap met de Kaaiman, ging hij voort. Ik ga samen met mijn Leeuw op een vlot proberen over te steken naar Linkeroever. Toch niet weer voor een wedstrijd? zei de Knekelman. Hij wilde het niet laten merken dat hij gehaast was. Als er iemand gehaast was in zijn buurt, werd Nevada meestal nog trager dan anders. Ik mag er deze keer zo lang over doen als ik het wil, zei hij. Maar ik zal al gelukkig zijn als ik dit hier afkrijg. Kijk. Hij hief de rietstengel met een schuine kop voor zich uit. Hij scheen het nog af te wegen wat hij ervan zou vinden. Misschien was hij wel goed, maar toch nog juist niet goed genoeg. Dat wordt de stok om je mee af te duwen, zei hij. De Knekelman knikte. Aan de onderkant van het vlot, zei Nevada, ga ik een luchtmatras moeten binden. Anders weet ik het ook niet. Dat ding gaat wat wegen. Is de Irrelevantman er niet? vroeg de Knekelman. Nevada zei niets. De Knekelman klom op de stapel van de paletten, en probeerde het om naar binnen te kijken in het barakje. Het was er schemerig en fris. Hier en daar tolde er een zware, donkere vlieg in in het rond. God weet waar hij uithangt, zei Nevada pas nu. Hij is al weg sinds vanmorgen. Maar hij heeft zijn jutezak niet op, hij is met zijn blote gezicht over de Dijk gewandeld. Naar waar?
Geen idee, zei Nevada. Hij stopte ermee om te snijden. Ze keken op hetzelfde moment naar de Irrelevantman zijn tafeltje, naar een zonnebril die er lag en naar de lijmpot. Pas dan werkte Nevada weer voort. Heb je het niet fris?
Eh?
Heb je het niet fris, zo in je blote bovenlijf?
0, shit, zei de Knekelman. Hij trok zijn buik in. Hij keek ernaar alsof hij er zelf door verbaasd was. Ik maak reclame voor morgenavond, zei hij. Ik ben nog nooit in mijn leven zo mager geweest als tegenwoordig. Overal waar ik kom, val ik op. De Knekelman moest wachten tot Nevada weer zelf aan het woord zou willen komen. Hij was echt nog trager dan anders. Hij stopte ermee om te snijden. Hij tuurde naar het stompje van zijn Danneman. En waarvoor, zei hij eindelijk, waarvoor moest je de Irrelevantman eigenlijk hebben?
De Knekelman keek met een bange blik over het strakke, kaal geplaveide Wandelterras. Ik wacht wel tot hij terug is, zei hij. Ik ga hier tegen het muurtje staan, ik wacht wel tot hij terug is. Nevada trok zijn schouders op. Hij wilde daarmee zeggen: mij best. Maar dat wachten, omdat de Knekelman de hele tijd bleef rechtstaan, dat wachten duurde langer dan verwacht. Nevada zei niets meer, maar bleef met korte, ritmische kerven in zijn rietstengel snijden. Wat later stak hij nog een andere Danneman op. Ik heb, zei de Knekelman, ik heb geloof ik geen tijd meer... Nevada was naar binnen geslenterd. Wat? riep hij. Hij kwam pas na een tijdje terug naar buiten. Hij leunde met zijn bovenarmen over de deurstijl. Dat vlot kan ik vergeten voor vandaag. De Leeuw is er ook niet. God weet waar dié ergens zit. Het was omdat de Irrelevantman in het krijt staat bij mij, zei de Knekelman voorzichtig. Maar Nevada keek hem gewillig aan. Ik moet wat Belgisch geld hebben, zei de Knekelman. Niet zoveel, trouwens. Een stuk of tweehonderd Franken. Het enige geld dat ik nog heb, zijn die Zlotys... Mijn weddenschap met de Kaaiman, zei Nevada traag, is voor vijfhonderd Frank. Heb je die hier? vroeg de Knekelman. Wat had hij durven te vragen!
Die vijfhonderd Frank? Niet hier. Alles dat ik heb, ligt bij Ginette. Hij zette zich op zijn knieën en draaide aan de rietstengel. Hij sneed er een stuk af. Het hout begon er stilletjes door te knarsen. Ik kan niet meer wachten! zei de Knekelman. Je hebt het geraden! Ik ga inderdaad naar de hoeren gaan! Vandaag nog! 
Nevada zei niets. Hij draaide nog aan het hout. Ik wil dit al van het eerste jaar dat we hier stonden! Een Fillipijnse, een kleine Fillipijnse! Iedere nacht tegen dat het licht wordt, droom ik van haar! Leg jij dat eens uit! Ik ben vanmorgen naar buiten geklommen om los te breken uit het Circus! Ik houd het niet meer uit in het Circus!
Tja, zei Nevada. Jij hebt Ginette, en de Minotaurus heeft Trixie, en een paar van de Worstelaars blijven soms bij de Vrouw met Drie Borsten slapen, als het waar is wat ze zeggen: maar al de rest moet zich aftrekken!
Ik snap het eigenlijk ook niet, zei Nevada. De Kaaiman heeft een vergunning gekregen voor drieëndertig jaar. Die zit trouwens nu al in de Vissershaven. En dan zei Nevada: kijk... Mij zouden ze zelfs een voorschot moeten geven! zei de Knekelman. Daar zeg je wel iets, zei Nevada. Ik snap het eigenlijk ook niet. Kijk, zei hij, een sprinkhaan ofzo. Die zat hier tussen de vezels... Dat is toch een sprinkhaan?
De Knekelman keek weg. Hij keek naar zijn navel. Hij voelde zijn kop ineens zwaar worden, zwaar op zijn nekbeen. Maar nee, zei Nevada, daar heb je wel gelijk in. Naar de hoeren gaan, ik zou er zelf niet opkomen, maar als het nodig is... Als je het voelt dat het nodig is... En hij zei nog iets, hij zei iets in het Engels, maar de Knekelman verstond hem niet meer. Hij was ermee begonnen om te snikken. Hij stond met zijn rug naar Nevada. Hij snikte één, twee, drie keer. Hij pakte zijn gezicht tussen zijn vingers. Wat krijgen we nu? zei Nevada. De Knekelman snikte, maar direct al voor de allerlaatste keer. Het waren al geen tranen meer. Het was, in plaats daarvan, een lange, trillende snottebel. Hij pitste ze af tussen zijn vingertoppen. Hij leunde krom over het hekje. Hij pakte, zonder iets te zeggen, de zonnebril van het campingtafeltje.
Wat kregen we nu? zei Nevada. Wat kregen we nu dat je deed?
Niets, zei de Knekelman. Hij zette de zonnebril op. Dat is met al dat hout. Ik ben eigenlijk allergisch, als ik geen bril draag... Ik begin het geloof ik dus toch te snappen, zei Nevada, terwijl hij op zijn knieën dichterbij kwam. Ach, wilde de Knekelman het flauwtjes zeggen. En je wil dus naar dat Fillipijnse hoertje, zei Nevada uitdagend. Naar dat kleine lekkere hoerending, dat je zei... De Knekelman glimlachte, maar zonder dat hij het wilde. Hij wachtte af. Door die zonnebril die hij ophad, zag Nevada er anders uit. Zijn voeten over de planketten leken erg ver weg te zijn, maar zijn kop hing juist overdreven dichtbij.

Er is een fout opgetreden in dit gadget