donderdag 10 augustus 2017

één week wég

ik ben één weekje foetsie. vandaar hier, gedurende deze week, enige mooi voor u uitgekozen reposts, elke dag ééntje.

vandaag: het kortverhaal "de tyger", van 4 augustus 2016...

DE TYGER

in de vroege middag wakker-getelephoneerd geworden door hugo zwerver, van wie ik niet eens wist dat die myn nummer nog had. "ik ben," zo begon 'ie meteen, "ik ben van de nacht, voor de vierde dag op ry, alwéér niet thuisgeraakt, vitalski. dus nu zou er écht iemand, en zeer dringend ook, de kleine jackie moeten voederen. en d'r eigenlyk ook héél eventjes meê gaan wandelen, als dat zou kunnen."
    bizar genoeg had ik eigenlyk totaal niks te doen vandaag, behalve dan de terreur van m'n twee kindjes; aldus hoorden-ik myn eigen tot hem uitspreken:"oké dan, waar woon jy tegenwoordig..."
    de blancefloer-laan, op linker-oever; zover weg... hoewel: een ritje door de voetgangers-tunnel; misschien ook wel een expeditie, iets meditatiefs. m'n fiets ook nét terug van de fietsenmaker...
    in het midden der jaren negentig ging ik dikwyls genoeg met die hugo zwerver zyn ultra-minieme straat-poedel-hond uit wandelen, niet met overtuiging, maar alleen maar omdat ik het in dié tyd altyd gigantisch onmogelyk vond om "neen" te zeggen. en hy vroeg het my byzonder dikwyls.
    alleen: heette die hond dan wel jackie? neen, die heette gegarandeerd heel anders - hoe dan wel, geen idee, maar niet jackie.
    naar die voetgangerstunnel nog onderweg, in die afgryselyke motregen van vandaag, de volgende, bepaald kolossale schrik-aanval: wat te doen, indien het aldus, dwz zodoende, zou blyken te gaan om een geheel àndere hond? een agressief exemplaar, dat my ook niet zou herkennen dan - waar was ik meê bezig??
    "de algemene voordeur staat overdag altyd open - en myn eigen deur, op het gelykvloers, staat àltyd open, dag en nacht, dat kan je wel raden."
    "oké, hugo - voor één keer."
    het schrikbeeld van die vreemde, gewelddadige, overdreven reusachtige bloedhond, die ik daar misschien zou gaan aantreffen, werd uiteindelyk, lezers, ronduit uitgelachen, moet gezegd, door wat my daar ter besluit en helemaal in wààrheid welkom bad, zo heftig, griezelig en boven alles onbegrypelyk: ik duwde zyn armzalige binnendeur zo langzaam ik kon helemaal open, en ineens kwam daar een volwassen tyger naar my toe gewandeld - een tyger, jullie lezen dit goed. duidelyk was dit een zeer oude tyger, misschien wel een tyger van honderd jaar, en met op zich geen enkel boosaardig plan - naar ik dit uit alle macht wenste, maar toch ook wel naar ik dit, met een soort van hypnotische kalmte, feitelyk, scheen te mogen aanvoelen... een koelbloedigheid die ik ook zàlf niet vermocht te begrypen, deed my de lange, zàchtjes bevende rug van myn eigen, my dierbare rechterhand naar hem uitreiken - daartydens gromden-'ie, maar verder bleef het rustig.
    ik zette twee passen verder naar binnen - er wel zorg voor dragend, nooit àchter hem te komen te staan. hier rechts was er een kleine glazen deur, met een gehaakt gordyntje ervoor - leidde die deur naar de keuken? en zou er zich dààr dan, godlof!, iets eetbaars aandienen, voor dit afgryselyke oude monster-dier?
    hier onverrichterzake, achterwaarts en met geheven rug, zo rap het my gegeven was, weêr naar buiten schuifelen, my op het ogenblik nog méér gevaarlyk toeschynende dan te volharden in deze gekke opdracht.
    "hey, tyger," zo hoorde ik myzelf dit integraal uitspreken. "is er dààr misschien een pannenkoekje voor u?" heel eventjes had ik, vooreerst, willen zeggen "een beefsteak"- maar: wat voor een onuitsprekelyk onheil zou dit woord zelf, "beefsteak" misschien ogenblikkelyk hebben teweeggebracht by dit jachtdier? reeds nu, by het zoveel meer onschuldige woord "pannenkoekje", bracht het jungle-dier optenief, maar dan luider, een volstrekt luguber grommend keel-geluid voort, zyn grote en zware, donker geblakerde want hoogbejaarde kop tegen my aan schurkend...
    inderdaad was dit de keuken - jihaaa.
    op tafel: niks, op het aanrecht: ook niks.
    de tyger liep nààst my door de deur het vertrek verder naar binnen.
    ik deed het luikje open van een hoog aan de wand gehangen kastje: een broodzak - godlof!!...
    "hwwughhhh!!!" zo brulde de tyger.
    met myn armen zo erg uitgestrekt in den hoge geheven, myn navelbuik vanonder myn t-shirt blootgekomen, begreep ik:"NU ga ik dood, met één knabbel!" doch er gebeurde opnief helemaal niks. "jaaaaaa," zei ik dan maar weêr. "jaaaa, jaaaaaa, kleine tyger..."
    wat was dit nu eigenlyk voor een grap, van die hugo zwerver?
    "jaaa, kleine tyger..."
    wat later liepen we tezamen door het natte, lang niet meer gemaaide bruine gras van de blancefloerlaan. zonder die tyger naar buiten gaan, aldus van hem wegvluchtende, scheen my niet gegeven; alsof dat zelfs juist het énige was dat hem tochkwaad zou maken. en té langdurig met hem binnen blyven zitten, ging ook niet; hoe langer dat duurde, hoe meer beklemmend dat werd, zeker nadat 'ie dat brood naar binnen had, maar ook een saucise en een halve doos eieren. griezelig likkebaardend kwam hy voor my te staan, strak rechtop - nieuwsgierig, ja als het ware.
    gelukkig: dankzy die aanhoudende motregen, byzonderlyk in de maand van augustus zo voos voor ons om aan te zien, kwamen we lange tyd geen enkele voetganger tegen. een paar keer reed er een tram voorby, dat wel; maar of de passagiers die in dit vehikel zaten, naar ons om zagen of niet, vermocht ik niet uit te maken; om de één ofte andere reden kon ikzélf alvast niet naar hén omzien.
    een paar honderd meters verderop, ter hoogte van "parking linker-oever", kwam er, vanaf één der drassige, platte bermen, toch wél, in een bruine regenjas, een sterveling in onze richting gezwommen, een kalend heerschap met een lang, smal gezicht en een dun, gouden brilletje; door het lot scheen het nu zo in mekaâr te moeten zitten, aldus klaarblykelyk, dat die meneer evenééns een dier by zich had, een duitse herder of iets dergelyks, weet ik veel; en die herder, of wat het ook was, scheen enorm opgewonden. zyn baasje trok hem by zich, doch jankend en piepend op zyn vieze achterpoten staande, scheen deze felle, mottige, kinderachtige hond myn tyger in principe te willen komen aanvallen.
    waarom keerden die zich niet om, waarom bléven die op ons afkomen - waren die niet goed snik? waren die BLIND of waren die SUICIDAAL, of wàt soms??
    "godverdomme," begon die kerel meteen, reeds van verre. "kan je zo'n circus-beest," zo sprak 'ie, "kan je zo'n circus-beest dan tenminste niet aan een léiband houden!!"
    "sorry," zei ik zo rustig mogelyk.
    die belachelyke hond bleef maar grommen en naar myn eigenste huisdier uithalen.
    "hoe kan dit," ging die meneer weêr voort. "als je wil, bel ik de politie!"
    "ja, sorry," zei ik maar weêr.
     aldus mekaâr dan toch integraal passerende. "goddomme," zo begreep ik.
    meteen àchter die berm, begon die tyger, na enig aarzelen, te plassen - langdurig ook, niet doordat er véél uitkwam, maar doordat het zo làngzaam ging...
    wat een slappe lul, wat een over-bejaarde stakker...
    nà de wandeling scheen de ergste spanning van de baan. weêr in het appartement aangekomen, ging het beest met zyn kop op zyn twee voorpoten vooroverliggen in de enige zetel ter plekke, onderwyl ikzelf, in de keuken, een emmer water voor hem liet vollopen. die zette ik by hem neêr, en toen wél scheen hy het te gedogen wanneer ik my, achterwaarts, met myn aangezicht naar het zyne, uit dit nachtmerrie-achtige universum van hem weg manoeuvreerde.
    "viel dat een beetje meê," vroeg luv. en ging voort:"myn pa en myn zus komen onderhand aan, ik moet naar het station. of ryd jy naar het station? of pas jy liever eventjes op de kinderen?"

Geen opmerkingen:

Er is een fout opgetreden in dit gadget