prent: Arduinen portret van zijn moeder: frontaal. Door Leonard uitgehouwen op 21jarige leeftijd.
LEONARD EN IK
door Robertus Baeken
84
‘De huisdokter heeft me naar het ziekenhuis gebracht om mijn longen door te lichten.’ Hij stak rustig een sigaret op en vervolgde: ‘Op één long was inderdaad een vlekje te zien. Maar wat wil je? Dat zal wel een gevolg zijn van het vele roken!’ Hij nam een trekje, keek me schalks vanuit de ooghoeken aan en lachte. ‘Weet je, er sterven miljoenen rokers aan longkanker! Ooit vertelde een longspecialist me dat het voor hem al voldoende is de deur van zijn wachtkamer op een kier te draaien om vast te stellen wie onder de patiënten een vogel is voor de kat. In de meeste gevallen zijn het rokers!’ Bij deze woorden proestte Leonard het uit. Ik vond het een macabere grap, die me sterkte in mijn overtuiging dat hij, zo hij terminaal ziek was, daar inderdaad geen weet van had.
Ik kwam voortaan weer wekelijks op bezoek. Behalve dat later ook zijn handen en enkels opzwollen, veranderde zijn uiterlijke lichamelijke toestand nauwelijks. Geestelijk stelde ik wel zekere achteruitgang vast. Om hem wat te verstrooien, nu hij met die gezwollen handen van hem toch niet langer in staat was om een hamer en beitel vast te houden, had ik mijn zopas voltooide essay over Henry Miller op zijn tafeltje gelegd; maar daar bleef het wekenlang onaangeroerd liggen. Hij gaf toe dat hij moeite had zich te concentreren en dat het lezen nauwelijks ging. ‘Gisteren was de dokter hier. Hij heeft er enkele pagina’s uit voorgelezen. Laat het manuscript nog wat liggen. Binnenkort kom ik er wel weer aan toe!’
Leonard kwam nergens meer aan toe. Ook het marmeren blok op zijn werktafel bleef onaangeroerd. Op een keer vroeg hij aan onze neef Max om er enkele grove stukken, die hij tevoren langs de omtrekken met een potloodlijn had aangeduid, met een beitel uit te hakken. Waarschijnlijk had hij gehoopt het meer fijne werk zelf aan te kunnen. Maar hoe hij zijn onmacht ook mocht ervaren, voorlopig was zelfs hier geen sprake van.
's Nachts stond hij op omdat hij de slaap niet kon vatten en overdag zat hij sluimerend te zieltogen. Af en toe had hij een goede dag en dan vertelde hij weer over iets grappigs dat hij op tv had gezien. Daarnaast genoot hij ook erg van de uitzendingen over kunst. Ja, de tv was nu zijn enige troost.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten