dinsdag 12 januari 2021

GAST-AUTEUR


HEKSENJACHT

door onze correspondent robertus baeken, vanuit de korenvelden van salem... 

tweede deel van aflevering drie...


Op datzelfde ogenblik hoorde ik een voordeur dichttrekken en hoe naderende voetstappen op hakken stilhielden in de vestibule om, zoals ik me voorstelde na het bijzetten van de dichtgevouwen plu in de hoek, een regenmantel op te hangen.
    Nog iets wat ik behalve ons gezamenlijk verleden met Kamiel deelde: zijn zus Roosje. Een bleke schoonheid met dichte, donkerbruine vlechteindjes lichtjes opverend boven haar schouders. Eentje dat, als zij over een bekoorlijk stemvolume zou beschikken, beslist werd uitverkoren om op te treden in een vrolijke musical. Ik zag haar al in de openingsscène met ’n plumeau in de hand, haar mondje wijd open voor een levenslied. Als een vlinder dartelend door de kamer. Van de ene hoek naar de andere op zoek naar een stofje. In een volgende scène springend, ja eveneens zingend en klingend door een donker bos. Zo ravissant dat iedereen die haar zag of hoorde, bij haar wilde zijn. Ik wou dat ze met haar grote ogen naar mij gericht en met even volle overtuiging ‘ja!’ zou zingen, zodat ik haar met een gerust hart mocht toe-eigenen, voor altijd. Of ten minste tot zolang de musical duurt. Als haar stem het zou laten afweten of bleek dat zij toch niet zo best de maat kon houden, zou ik daar met een vergoelijkend lachje de schouders over ophalen. Zij werkt op een koekjesfabriek. Hier had ik evenmin bezwaar tegen.
    Dit alles realiseerde ik me des te meer toen de gangdeur openzwaaide en niet zij, maar Kamiels moeder Hortensia, - dit keer nog iets onhandiger dan gewoonlijk, - naar binnen waggelde. Niet enkel was zij zwaarlijvig. Tegen haar borst omklemde zij een, ten gevolgde van de nattigheid buiten, wat verscheurde papieren zak vol aangekochte levensmiddelen. Hiermee ging zij zo behoedzaam om dat ik de indruk had dat zij haar eigen bloedend hart in een vaste greep hield, terwijl dit haar toch niet belette ons hartelijk te begroeten. Zoals steeds keek ze met warme ogen naar me, of met een blik waarin ik een uitdrukking van goedkeuring opmerkte, zodat zij niet haar dank hoefde uit te spreken dat ik, zoals zij ongetwijfeld van mening was, een gunstige invloed op haar zoon uitoefende.
    

Want moeders zijn wonderlijke wezens. Die hoeven niet één of duizend teerlingen te werpen, geen gedichten te ontcijferen om het onzichtbare aan het licht te brengen. Zoals Kamiel met zijn bundel papier op schoot reageerde of hij op heterdaad was betrapt, viel af te leiden dat zij haar telg door en door kende. Terwijl Hortensia de waren uitpakte, speelde haar zoon de komedie of hij een dichtgevouwen krant onder de arm stak.
        ‘Kom je mee naar boven?’ Kamiel weer.
    We stonden al bij de deur. ‘Hou het kort. We gaan dadelijk eten!’ riep de moeder ons na. ‘En Ralph… Jij toch ook een gebakken ei? Of twee?’
    ‘Bedankt! Doe maar twee!’


WORDT VERVOLGD

Geen opmerkingen: