PORTRET VAN DE AARDBEIENPLUKSTER ALS JONGE VROUW
‘Wàt zei je? Goh!... Ik begrijp dat je boos bent, maar…’ Niessen bleef op een verklaring wachten. Weer een reden om haar verzet koppig vol te houden.
‘Jullie doen net of dit bedrijf de hele wereld is! Jullie gedragen je als marionetten in een poppenspel!’ Deze agressieve gedachte had zij al zo vaak gehanteerd dat ze vroeg of laat moest uitgesproken worden.
‘Jullie… zeg je. Natuurlijk heb je ‘t op mij begrepen,’ kwam hij met een lachje. ‘Ik plooi me naar de conventies!’
‘Precies zoals u zegt… Jullie hebben een masker op!’
Het verwonderde haar dat hij zo kalm bleef. ‘Je vergeet dat je zelf voortdurend bezig bent verstoppertje te spelen!’ Hij keek haar doordringend aan. ‘Waarom doe je tegen mij vanuit de hoogte: als een stijf deftige juf?’
‘Ik begrijp u niet!’
‘Zie je wel, daar heb je ’t weer! Altijd dezelfde flauwiteiten! Je studentje is je naar ’t hoofd gestegen!’ Hij wierp een blik naar de deur. ‘Zal ik ophouden?’
‘Gaat het over Francis?’ vroeg Mieke, meer door wat nog zou volgen dan door wat reeds gezegd was, heftig geschrokken.
‘Nee, over jou! Tracht me niet om de tuin te leiden! Ben in mijn leven al genoeg bedrogen. Niemand hoeft me te vertellen hoe dat in zijn werk gaat! Ik weet hoe jij je met de moed der wanhoop aan je studentje optrekt. Je wilt ook graag iets betekenen; dat is menselijk. Wel, voor mijn part ben jij super. Dit is een compliment, geloof me.’
‘Ik kan niet eens behoorlijk werk afleveren!’
‘Wellicht ben jij voor andere dingen in de wieg gelegd. Nee, dom is jouw Francis niet. Niets lekkerder dan een mals buitenmeisje in een bed van hooi!’
‘Mijnheer…’
‘Laat me uitspreken. Wat dat gestoei betreft, hoef je niets van me te vrezen. Dus zeg ik wat ik denk. Wel, je bent op een valse manier onschuldig! Ik zie hoe je figuur opbloeit van jong meisje tot vrouw. Zullen we het daar eens over hebben?’
Mieke luisterde naar de invallende stilte. Het geratel van een verre machine drong tot haar door. Zij droomde niet! Voor het eerst realiseerde zij zich dat deze man niet louter een commando’s doorseinende robot was, zoals ze zich hem steeds had voorgesteld. Hierbij viel haar de waarheid op van sommige lichamelijke details, zoals de vorm van zijn schedel, de dunne aders over zijn slapen - allemaal sporen van ‘n menselijke geest die ze zich niet hoefde te verbeelden. Hij verschilt niet van mij, noch van anderen, ging het door haar. Hij heeft dezelfde vreselijke gedachten. Hij ondergaat hun duistere werking. Ze kruipen als kreeften langs het gebeente omlaag. Ze zijn ongehoord schunnig, egoïstisch, begerend naar lust, afwijkend van alles wat normaal is. En daarom blijven ze onderhuids. Als dat waar is, dacht ze verder, dan gedragen wij ons heel anders dan we zijn, dan is er geen mens fatsoenlijk, dan is ons leven vol waanzin en zijn we allen hiervoor verantwoordelijk.
‘Waarom zeg je niets? Je mag eindelijk iets zeggen!’
‘De duivel… dat is een vrouw. Denk je ook niet?’
‘Hoe kom je dààr bij?’
‘Wel, ik geef toe duivelse onschuld voor te wenden! En zullen we nu over iets anders praten?’
‘Goed! Maar vergeet straks niet alles aan je vriendinnen te verklappen.’ Zijn hoofd wenkte naar de kantoormeisjes.
Mieke veerde verontwaardigd op. ‘Zou ik nooit doen!’
WORDT VERVOLGD...


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten