Vaak verdiepte Mieke zich in de voorstelling van een luchtig landhuis. Deze woning bestond vooralsnog uitsluitend in haar dagdromen, zodat zij de kamers van binnenuit bekijkend, als een architecte haar fantasieën kon botvieren. Een klein kunstje om te zien hoe het invallende licht langs hoge ramen een sfeer van openheid creëerde! Even belangrijk vond zij dat de vensters langs alle kanten uitkeken op de omliggende bossen. Een tuin hoefde niet. Voor haar zou het al voldoende zijn als het terrein eveneens tot haar eigendom behoorde, zodat zij de natuurlijke vegetatie, in tegenstelling tot wat overal elders gebeurde, onberoerd kon laten.
Niet voor niets trok Francis van leer tegen de schending van de natuur! Zij zou een plekje creëren waar niet al die problemen aan de orde kwamen. Er zou rust heersen. Zij zou er dagelijks schoonmaken, de planten gieten en nooit meer hoeven bloot te staan aan gemeenheid, verloedering, strijd. Hoe naïef dit beeld haar ook voorkwam, doordat deze wereld zich vaak van zijn lelijkste kant liet zien, bleef zij ernaar hunkeren. Natuurlijk hebben ziekte en dood het laatste woord, zodat men zich terecht kan afvragen of er wel zoiets als geluk of veiligheid mogelijk is.
Maar ook hier weigerde ze door te denken. Zij vreesde het einde niet. Wie echt had geleefd, hoefde niets te vrezen. Och ja, zo heeft iedereen zijn plekje.
Volgens haar moeder was er voor de mensen maar één bestemming: die van de hemelse Vader hierboven. ‘Want alles in het leven is ijdelheid. Eén dag of duizend jaar is voor de eeuwigheid hetzelfde. Stof zijn we, en tot stof keren we weer. Bezittingen of verworven kennis zijn van geen tel. Alles komt van de Almachtige. Mag je nooit vergeten, meisje.’
In dit perspectief, dat het leven slechts een tijdelijk goed is, zag Mieke haar ouders met hun handen in de aarde wroeten. De mens is een dier met lage instincten, voortdurend in de weer om zich te voeden en voort te planten. Hij moet zijn begeerten overwinnen en een werktuig zijn in handen van de Heilige Geest. Zo werd het wekelijks op de kansel afgeroepen. Een reden om elke avond een gewijde kaars aan te steken voor het beeld van Onze Lieve Vrouw van Smarten op de schouw. Reeds als peuter was Mieke hiermee vertrouwd. In de door luchtverplaatsingen onberoerde kern van het vlammetje, stelde ze zich Gods aanwezigheid voor. Ter afwisseling gleed haar blik naar de heiligen op afzonderlijke prentjes tegen de muur; dit om na te gaan of de uitdrukking op hun gezichten, gaande van godvrezende ernst tot een verheven glimlach, welke de vreugde van het geloof moest voorstellen, na het staren in de vlam hetzelfde was gebleven. Vaak leek ze inderdaad een verschil op te merken.
Voor het eerst ontdekte zij een strenge blik, een toegeeflijke plooi om de lippen of een trekje dat er voordien niet was, waardoor de gezichtsuitdrukking veranderd leek; bijvoorbeeld van schaapachtig naar wijs of heldhaftig.
Vóór Francis in haar leven kwam, had zij het geloof nooit in vraag gesteld, zogenaamd omdat het een overblijfsel was van primitieve volkeren, in strijd met alle logica. Zelf vond Mieke zich weinig vroom. Zij gehoorzaamde, dat wel. Ze beantwoordde aan de verwachtingen, of dat nu ging om een stuk land te wieden of tijdens de mis te communie te gaan. Wat de kerk betreft, holde het hele gezin achter Moe aan. Va zei nooit één woord daarover. Hij volgde haar als eerste op de hielen, deed uit beleefdheid zijn pet af en mummelde wat als er gebeden werd. Mieke verwonderde zich om de bleekheid van zijn kale schedel, in schril contrast met zijn door zon, wind en vorst getaande nekvel.
WORDT VERVOLGD


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten