7.
Op een dergelijke vraag niet voorbereid, had Mieke wat tijd verloren. Zij wilde zich ook niet beperken tot een beleefd ‘ja’. ‘Ik ben gisteren bij mijn vriend geweest,’ begon ze, om deze kans tot een gesprek niet voorbij te laten gaan.
‘Ha, ben je verloofd?’ Eventjes leek hij ver weg. Had de herinnering aan het geluk van jeugdige verliefden hem pijnlijk getroffen? Graag had zij ‘r nog wat aan toegevoegd: dingen waarop ze trots was, waardoor zij meer werd dan een simpele aardbeienplukster en bij hem zodanig in achting zou stijgen dat een gesprek voortaan nooit meer uit de lucht zou zijn.
‘Francis is student,’ begon ze met het oog op diens buitengewone uitslagen op school.
‘En wat dan?’
Mieke was opgetogen met de vraag. ‘Na de vakantie gaat hij voor wijsbegeerte.’
‘Ha zo…’
Was dat alles wat hij te zeggen had? Ha zo… Reikte zijn belangstelling echt niet verder? Eens was hij toch ook student geweest? Zij vroeg zich af of hij hun babbel al te vertrouwelijk begon te vinden. Voor het eerst merkte zij ook weer dat alledaagse gezicht. De glimlach was verdwenen en hij opende zijn paperassen; een nadrukkelijk gebaar waaruit zij kon opmaken: nu genoeg van die prietpraat! Heb nog wat anders te doen? Dus ging zij eveneens aan de slag. Te gek om in je eentje aan het woord te blijven. Deze man had alleen maar belangstelling voor zichzelf; vandaar zijn mateloze ambitie in het beroepsleven. Geen wonder dat zijn vrouw ervandoor wilde! Het was vast zijn verdiende loon. In haar oren zwol de eentonigheid van het nabije gezoem aan tot een omvang die zij nooit eerder had doorstaan. Het was een morgen om blootsvoets in het gras te lopen. Maar zij was veroordeeld om levenslang bij deze nare man te zitten en als bezeten op het toetsenbord te ratelen. De tijd van het zotte geweld was afgelopen! In het gezoem hoorde zij Francis’ profetische woorden. ‘Begrijp je? Het hoofd verwijdert zich van de handen! De mens wordt een machine. Lang zal het niet meer duren…’
Mieke wachtte geen volgende gespreksgelegenheid af. ’s Namiddags pakte zij hem voor de tweede keer aan. Zij kwam van het toilet en hij was bezig een mandarijn af te pellen. Bij het venster strekte zij haar rug. ‘Ik geloof wel dat u hem kent,’ begon ze. Het was krankzinnig een gesprek dat al een halve dag voorbij was zonder enige aanleiding voort te zetten. Ondanks de warmte van haar schaamrood vatte zij moed. Tenslotte was deze situatie, waarvoor zij niet zelf had gekozen, even onnatuurlijk, verwrongen, zeg maar krankzinnig.
‘Over wie heb je ‘t?’ kwam hij uit de lucht vallen.
Wat ‘n komedie! flitste het door Mieke. ‘Over wie dacht u? Over Francis natuurlijk!’ repliceerde ze vinnig. ‘U hebt hem vast al eens ontmoet. Zijn moeder leidt een vastgoedkantoor aan de Boskant.’
WORDT VERVOLGD


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten