door gast-auteur Robertus Baeken, vanuit de timmer-kamer...
44.
Op straat holde ik koortsachtig door een zwarte ruimte, begrensd door onwezenlijke muren. Ik hield een taxi aan.
Als flitsende parels aan een snoer gleden de nachtelijke lichten één voor één langs het zijraampje. Vaag ontwaarde ik de bevreemdende omtrekken van gevels en gebouwen. Ik was alleen. En ik wilde niet klagen, maar in mijn eenzaamheid prevelde ik een schietgebed: als ik Elly's gezicht nu niet gauw te zien kreeg, dan bevond ik me tussen de zwartgeblakerde muren na de Apocalyps.
Er was voor het eerst iets aan mijn voorstelling van haar dat mijn verslagenheid wekte. Ook voelde ik wat, juist door haar vernedering, voor mij de kiem werd van consideratie en ontzag. Toch hoedde ik me ervoor om, zoals in het verleden vaak gebeurd was, alweer goede voornemens te maken.
Toen ik, bij het stilhouden van de taxi voor onze woning, bemerkte dat iemand tijdens mijn afwezigheid de rolluiken had neergelaten, sloeg mijn hart na lange tijd plots vol overgave aan het jubelen. Ja zo - en niet anders - schalde het: ‘Halleluja! Halleluja!’
In de vestiaire vond ik de mantel en halsdoek van mijn vrouw naast de overjassen van de kinderen. Iedereen was naar bed.
Ik keek of beneden alles in orde was. Daarna sloop ik op kousenvoeten naar boven. Stilletjes opende ik de deur van de slaapkamer. Een scherpe lichtstreep gleed naar binnen. Het hoofd van Elly lag zijdelings weggezonken in de kussens. Aangezien er niets bewoog, vroeg ik me af of zij me had gehoord. In een ommezien stond ik aan de andere kant van de deur waar ik, in het diffuse licht dat de kier over de kamer verspreidde, mijn kleren op de vloer gooide. Daarna bewoog ik me tastend naar mijn vertrouwde plekje tussen de lakens.
Ik dacht dat Elly sliep. Maar nauwelijks lag ik neer of zij sloeg haar armen rond mijn nek. Enige tijd drukte zij haar hoofd krampachtig tegen mijn naakte borst. Ik wou zeggen hoezeer ik haar al die tijd had gemist, maar omdat Elly niets zei, was het beter te zwijgen. In het halfdonker voelde ik het zweven van haar lippen boven mijn gezicht. Nooit eerder had ik me zo dicht bij haar gevoeld en zo sterk, - in de bloei van mijn leven. Dit leven begon pas. En aan dit begin lag de verzoening en de innerlijke rust van iemand die alle rijkdommen van de wereld in zijn zak heeft. Daartoe hoefde ik mijn vrouw niet opnieuw te waarderen, zoals zij misschien wel dacht dat ik deed toen ik haar zoenen beantwoordde. Ik was niet veranderd. Alleen ontdekte ik de smaak die bij alle leven hoort. Ik leerde te genieten. En dat was zo eenvoudig, zo ver weg van alle mij door de wereld aangeprate wensdromen dat de eeuwige handelingen tussen een vrouw en een man, tussen haar en mij, niets meer hadden van een oordeel of strijd.
Wij hadden elkaar bemind. Alleen, ik kan niet zeggen hoe. Was het heftig, dan ook heel teder. Had het tafereel iets schoons dat mateloos ontroerde; het deed ook wel denken aan twee hondjes achter de vuilnisbelt.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten