door gast-auteur Robertus Baeken, vanuit de timmer-kamer...
46.
'Nog iets van Karl gehoord?' vroeg ik. Ik wist dat de man aan niets anders dacht en dat het hem zeker zou opluchten als hij er nog eens over kon praten. Ik bemerkte dat hij harder op de schroevendraaier drukte. Misschien was het goed dat hij iets om handen had. Zo hoefde hij me niet aan te kijken, wat het praten beslist vergemakkelijkte.
'Maandag hebben we een tweede prentbriefkaart ontvangen. Dit keer enkel door Karl ondertekend. Vind je dat niet vreemd?'
'Hoe zou ik dat weten? Misschien was zijn liefje eventjes uit de buurt?'
'Mogelijk... Het kan ook dat zij ervandoor is!'
'Denk je?'
'Eens zal het toch gebeuren.'
'Je bedoelt: zo gauw al zijn geld erdoor is?'
'Natuurlijk! Let maar eens op mijn woorden!'
Daar ik niets te zeggen had, werd het een poosje stil. Ik luisterde naar het zuchten van de baas, die blijkbaar veel moeite had de schroefjes tot het einde in het weerbarstige hout te draaien. Achter dat gezucht meende ik nog een andere inspanning te horen: namelijk deze om zijn tegenslag, het bedrog van zijn zoon, met zekere gelatenheid te ondergaan. En ik had me niet vergist, want opeens zei hij: 'Och ja, wij zijn allemaal maar mensen met gebreken! En we zijn zoals we zijn!'
Door zijn woordkeuze wist ik dat hij het over Karl, maar eveneens over zijn bochel had. 'Je hebt volkomen gelijk,' zei ik, in het besef dat die bochel nog het minste was. Mensen verbergen zoveel tekortkomingen. En ergens had ik ook wel een enorme bult, waardoor ik gedoemd was kreupel door het leven te gaan.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten