Na Etiennes versie van de feiten had Joseph meer dan een appeltje met Justine te schillen. Als er heus redenen waren om Marijke tegen die ‘ploert van een vader’ in bescherming te nemen, had zij alsnog op zijn begrip kunnen rekenen. Maar tijdens zijn derde rit naar Louveciennes bekroop hem het gevoel dat weinig van haar uitleg klopte. Hij waagde zich aan voorspellingen.
Wat gedaan als zij na alle dwang Marijkes verblijfplaats toch zou verzwijgen? Later, bij een volgende vraag, hoe het zit met haar gokverslaving, hoorde hij Justine hem dan weer op zijn plaats zetten dat die kwestie niets met het weggelopen meisje te maken heeft. Desondanks kwam Joseph met een vurige, innerlijke stem tot een voor hem onaanvaardbare bekentenis: ‘Malgré tous tes faux panaches, ben ik helemaal zot van jou!’
Ondertussen gleed het troosteloze beeld van de buitenwijken aan zijn oog voorbij. Grauwe eentonigheid onder dichttrekkende, donkergrijze lucht. Dat oog dreef in een mager plasje, wat hem dwong zijn eigen leven te overpeinzen; alsof al dat lelijks hem overgevoelig maakte voor zijn gemis aan menselijke warmte. Tegelijk probeerde hij zich van negatieve indrukken te ontdoen. Hij had een knappe zoon. En hij zou dringend eens wat tijd moeten vrijmaken voor een kopje thee met Isabelle, en daarbij wat babbelen over bijkomstigheden, zoals haar nieuwe bonsai.
Eventjes wekte zijn voorstelling van de bonsai en Isabelle, die zich liefdevol over het boompje heen buigt om het te besproeien, zijn lachlust. Hij kreeg zin om haar te vertellen dat zij zich ook eens over zijn stammetje mocht ontfermen: vorige week haar maandstonden, vervolgens het onverwachte vertrek naar Parijs; na al die dagen hing zijn bonsai er slapjes bij.
‘Sorry liefste: slapjes is niet het gepaste woord. Sinds kort heeft hij zelfs een ferme boost gekregen!’
Onder het kwijnende licht gaf het alleenstaande huis hem de indruk van een enorme, verweerde grafsteen, scheef weggezakt in de modder en vergeten sinds de laatste bezoeker, een halve eeuw geleden. De bleke muren achter druilerige bomen en struiken boden de aanblik van een verzopen kerkhof. Het grind kraakte onder de voeten van de laatste nabestaande. En deze merkte iets op. Omgespitte aarde, een mestkever, een aardkluit in de vorm van een gekloven schedel, jawel. Om kort te zijn: het graf was leeggeroofd.
Behalve wat houten latwerk trof hij enkel nog de stapels boeken op de vloer. Aanbellen hoefde niet. De zieltjes van Justine en het meisje waren gaan vliegen. Overtuigd dat hij alleen was, pakte hij zijn loper om de klus tot een goed einde te brengen.
(WORDT VERVOLGD...)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten