36.
De klap waarmee de voordeur werd dichtgetrokken, maakte een abrupt einde aan Josephs bespiegelingen. Hij haastte zich naar het venster en zag de dokter bij zijn auto staan, klaar om in te stappen. Bij het openen van het portier keerde hij zich onverwachts om en keek naar boven. Zijn doordringende ogen vonden het venster waarachter Joseph met ingehouden adem tot een roerloos voorwerp versteende. Hoewel hij krampachtig zijn best deed er in het schemerdonker te blijven uitzien als een aan ‘n kapstok hangende vogelverschrikker, kon hij zich niet van de indruk ontdoen de dokter te zien mompelen: ‘Och man, mij hoef je geen trucjes te verkopen! Ik had je allang opgemerkt!’
Joseph voelde zijn kop rood worden, maar hij had geen keuze dan zich, zoals dat van een hangende last aan de kapstok verwacht wordt, stil te houden.
Pas toen de auto met volgeladen aanhangwagen vertrok, hielp de duisternis in de kamer hem zich ervan te overtuigen dat de blik, die hem had gefixeerd, inbeelding moet zijn geweest. Inbeelding en niets anders!
Bevrijd van de vier witte muren stormde hij naar beneden. De neus van zijn schoenen hadden iets van twee naar de kelderdeur vluchtende ratten. Of hadden de stille muren hem in hun taal het geheim van dit huis verklapt? Zijn zoekende hand vond de lichtschakelaar achter de deur. Uit de enge diepte steeg een muffe geur op.
De gemetselde trap bood enkel de zijmuur als houvast om zich in evenwicht te houden. In ’s hemelsnaam, wat kwam hij hier uitspoken? Zelden had hij zichzelf en de werkelijkheid zo gewantrouwd. Aan het plafond hing een naakt peertje dat een schraal schijnsel wierp over een hoop oude rommel, zoals een afgebladderde commode, enkele kreupele stoelen en houten panelen, - vermoedelijk afkomstig van een gedemonteerde kleerkast.
Joseph had het gauw gezien. Maar vóór hij zich weer naar boven keerde, viel zijn oog op twee, als dikke vrienden tegen elkaar aanleunende plastic zakken. De gedachte dat de boeken op eendere wijze waren ingepakt, verleidde hem voor een stout sprongetje naar beneden. Een paar tellen gehoorzaamde hij aan een razende dwang. Zijn handen veranderden in de grijpers van een op hol geslagen graafmachine. Diep klauwden ze tussen een dichte, maar tegelijk zacht samengepropte materie. Ongeduld dreef hem ertoe de zakken om te kieperen. Uit een ordeloze troep van witte doeken kwam de weeë stank van geronnen bloed vrij. En nog nam de drieste dolleman geen genoegen. Zijn klauwen trokken de aan elkaar geklitte weefsels uit elkaar, drongen dieper in de rode omtrekken van gedroogde korsten om met een onverhoedse beweging door te stoten tot een zachte kern: een bebloede kwal die hij vol afgrijzen losliet.
Van zijn onder smurrie bedekte vingers, keek hij naar het koude orgaan tussen de doeken: een halfvergane foetus dat hij voor geen geld ter wereld weer zou aanraken.
Met de bezoedelde handen voor zich uit, verhief Joseph zich stap voor stap naar boven, recht naar de keuken en de kraan boven de gootsteen. Terwijl koel stromend water zijn vingers schoonspoelden, voelde hij zich weer mens worden.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten