HEKSENJACHT
door onze correspondent robertus baeken, vanuit de korenvelden van salem...
aflevering zeven...
Ik stond voor een huilend jongmeisjesgezicht. Voor een huid vol rode vlekken. Voor halfopen, dik gezwollen ogen. Roosjes slagroom dit keer dun verwaterd naar beneden gesijpeld. Haar lippen kleurloos.
‘Ik kom voor je broer,’ begon ik, vreselijk gegeneerd. Daarna deed ik alsof hij achter haar in de verder lege gang stond, zodat ik met deze woorden langs haar tijdelijk verdriet heen kon kijken.
‘Kamiel is niet mijn broer, zelfs niet mijn halfbroer!’ reageerde zij met zulke bevrijdende kwaadheid dat ik niet geneigd was haar woorden letterlijk of ernstig te nemen.
Trouwens, daar ging het nu niet om. ‘Waar is hij?’ hield ik vol. Mijn eigen vraag verbaasde me niet minder. Want waar Kamiel ook mocht uithangen, ik zat niet over hem in. Het enige wat ik beoogde, was Roosje’s ellende, woede of pijn ontzien.
‘Hij is ervandoor. Verhuisd. Voorgoed weg! Had je hem nodig?’
Eender met wat ik hier op de proppen kwam. ‘Hij heeft nog een boek over sterkteleer van me.’
Het dansende zangeresje was helemaal uit haar betoverende rol. Zij week opzij. ‘We moeten de boel nog opruimen. Maar neem alvast een kijkje.’ Daarna volgde zij me op de trap.
Zoals elke pas ontruimde kamer zag ook die van Kamiel er vreselijk rommelig uit. Grijs licht door vuile vensterramen. Lege kartonnen dozen over de vloer. Een laag stof op de tafel waar zijn pc met groot beeldscherm had gestaan. Scheef hangende posters aan de muren. Potloodslijpsels. Een doosje met afgevoerde, droge batterijen en een wirwar van viltstiften. Loshangende elektrische draden. Daar de boekenschabben nagenoeg leeg waren, had ik mijn aan hem uitgeleende leerboek rap opgemerkt.
‘Hoezo?’ begon ik, terwijl ik het willekeurig opensloeg. ‘Kamiel is niet je broer?’
Daarmee keerde ik een stapje van vijf minuten terug in de tijd. Terwijl ik me omdraaide, bleven mijn ogen op een kurkdroge grafiek van vectoren gericht; alsof ik eerder dan rond te kijken, er om gewichtige redenen de voorkeur aan gaf in mijn geopend boek een samengestelde bundel krachtlijnen te onderzoeken. Na de hoopvolle openingsscène met vrolijke zang en dans, verzandde de musical, ten gevolge van het meisjesverdriet midden dit sombere decor, in de nachtmerrie van een woonhuis dat door foutief berekende steunbalken op scheuren stond.
Het leek bijna of Roosje ijlde. ‘Ik ben twee jaar jonger dan Kamiel,’ hoorde ik haar, als bevond zij zich met haar verhaal midden mijn gefantaseerde puinhoop vol zwevend steengruis. ‘Mijn mama is in haar kraambed gebleven. Drie jaar later is mijn papa hertrouwd. Met Hortensia. Zij bracht Kamiel mee uit haar vorig huwelijk.’
Zo was het wel genoeg. Mettertijd kan alles gerepareerd en opgekuist worden. Deze woning stond niet dadelijk op instorten. Van mij mocht er weer met mondjesmaat gelachen worden. Niettemin zette Roosje door. Haar papa was vijf jaar geleden bij een auto-incident om het leven gekomen.
Om de droeve muzikale stemming te doen keren naar het lichte begin, zonder welke een opbloeiende romance weinig voor de hand lag, nam ik een zeker risico. ‘En waarheen is Kamiel getrokken?’
Harde paukenslagen. ‘Saint-Hubert! Midden Ardennen!’
Daarmee werd het tij niet meteen naar de gewenste ontspannen vrolijkheid gekeerd. Juist om die reden moest zij met haar verhaal, hoe triest ook, nodig verder.
Ik hielp haar een handje. ‘Saint-Hubert? Ik godsnaam, wat zou Kamiel daar uitvreten?’ Als vanzelf ging mijn eerste gedachte naar zijn geheime bestemming. Ofschoon hij blut was, had de Boze Koningin hem het zwarte adres gegeven. Haar luxueuze geheime liefdesoord...
WORDT VERVOLGD



























Geen opmerkingen:
Een reactie posten