HEKSENJACHT
door onze correspondent robertus baeken, vanuit de korenvelden van salem...
aflevering acht...
De oorspronkelijke blijheid bleef te lang uit. Weer beneden kwam ik tot de vaststelling dat mijn leven, zelfs met Roosje in mijn nabijheid, voorlopig eerder met een tragedie dan met een musical te maken had. ‘Jongeman stapt wijde wereld in.’ Het kon de titel zijn van een angstaanjagend sprookje, met als thema de parabel van de verloren zoon.
Moeder Hortensia lag zolang met haar voorhoofd op tafel. Tot ze ons hoorde binnenkomen. Toen ik haar betraande ogen ontmoette, leek haar wezen zich datzelfde ogenblik vertwijfeld aan me vast te klampen.
Voor een goedige moeder kon het niet nog vreselijker. Haar zoon was verre van blut. Ineens bleek hij zelfs een dief. Zo had hij tienduizend euro van haar rekening gehaald. Haar auto gepikt. De boodschap achtergelaten dat hij zich de studie van architectuur door haar had laten opdringen. Enkel wat puur is en onvervalst kon hem nog bekoren. En daarom ging hij iets anders doen met zijn leven, ver van hier. Hij wist nog niet wat. Hij ging in de bossen wonen. De vrije natuur in. Vandaar Saint-Hubert.
De goedige moeder keek me hoopvol aan. Daardoor voelde ik me ertoe genoopt aan haar verwachtingen te voldoen. Ofschoon ik van hem ook nog flink wat geld moest, bracht ik haar de positieve boodschap dat Kamiel van mij nog nooit een euro had ontvreemd. Lenen is heel iets anders. ‘Hij zal je ‘t geld vast wel terugbezorgen, vroeg of laat. Mogelijk heeft hij een tijdelijke inzinking. Ik zal eens met hem praten. Saint-Hubert, zei je?’
Roosje overhandigde me het roetzwarte adres op een briefje. Ik vergat te vragen hoe ze eraan kwam. Zei enkel niet lang te zullen wachten om erheen te rijden. Waarschijnlijk vrijdag al.
Haar gezichtje klaarde er danig van op, zodat ik na die vreselijke domper weer in de opbloei van die wonderzoete musical begon te geloven. Maar tegelijkertijd kwam zij met een onmogelijke vraag. ‘Kan ik met je meerijden?’
Hoe graag had ik ‘ja!’ uitgeroepen. Hoe graag had ik vrijdagmorgen feestelijk het portier van mijn autootje voor haar geopend om daarna de hele tijd onderweg vrolijke, of als het lukte zelfs ontroerende duetjes met haar aan te heffen. Dat het leuke samenzijn niet kon doorgaan, lag aan de zwartheid van het adres. Ik kon me al voorstellen hoe onthutst ze zou reageren, hoe de hoerenkast onder haar kreten op zijn grondvesten zou daveren. Een ware aardverschuiving met haar broer - pardon, stiefbroer - in het epicentrum.
‘Jammer, dat kan niet doorgaan, Roosje. Toevallig moet ik die dag een toezichthoudend kijkje nemen op een bouwwerf in Luik. Zie je, ik ben dan niet zover uit de buurt.’
Waarschijnlijk vermoedde Roosje al dat het om een smoes ging; want evengoed verzon zij alle denkbare middelen om mijn bezwaar te omzeilen. Maar hoe graag ik het ook wilde, ik gaf geen duimbreed toe.
Pas toen Roosje er tegen heug en meug in berustte dat ik in mijn eentje zou vertrekken, vond moeder Hortensia de kracht of moed om op een laatste detail in te gaan. ‘Kamiel heeft ook alle drie onze katjes meegenomen. Dat zij een voorkeur hadden voor de achterste zitbank van de auto, heeft hij vast niet opgemerkt!’
WORDT VERVOLGD



























Geen opmerkingen:
Een reactie posten