HEKSENJACHT
door onze correspondent robertus baeken, vanuit de korenvelden van salem...
aflevering negen / twee
Roosje heeft me gestuurd!’
‘Roosje… Ik moet die Sneeuwwit niet langer! Zo stond het toch in mijn gedicht?’
‘’t Is waar! Wat stom van me!’
Sinds ik op de hoogte was dat zij geen broer en zus waren, was ik me over Roosje al voorzichtig vragen gaan stellen, trouwens. Vanwaar haar peilloos verdriet na zijn vertrek? Waarom haar oeverloos aandringen om mij naar Saint-Hubert te vergezellen? Kamiels gedicht begon met de regel dat de onschuldige Sneeuwwit en de kinderlijke Prins op zijn wit paard hun ogen op elkaar hadden laten vallen. Nu ik weet had van hun benauwende gezinssituatie binnen vier enge muren, leek dit sprookje zo voor de hand te liggen dat het wel saai en voorspelbaar moest worden. Vandaar, zo had datzelfde gedicht verder georakeld, de onweerstaanbare drang van haar Prins om zich te bekeren tot een voor iedere modale burger onbegrijpelijk, tegendraads buitenleven.
Wat eerlijk, wat moedig, wat oprecht van hem! Opeens verstond ik Kamiel. Want als iemand begreep waarom het leven eist je eigen lijf en leden tot in het kleinste vezeltje gewaar te worden, dan zeker ik! Hoe je door elk ogenblik mateloos geboeid werd en wie je daarbij tegenwerkte of steunde, speelde hoegenaamd geen rol. Hoofdzaak was het besef dat je in het heden rondliep, dat je daadwerkelijk leefde, dat je bestond!
In die geest van begrip volgde ik Kamiel welwillend naar zijn natuurstenen woonvierkant. ‘En dus verdien jij hier zolang de kost als jachtopziener?’


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten