HEKSENJACHT
door onze correspondent robertus baeken, vanuit de korenvelden van salem...
DRIEËNTWINTIG
Ik had de dagen niet geteld. Wel had ik lang genoeg gewacht. De eerste zonnige zondag vond pas twee weken later plaats. Mijn gestrekte wijsvinger klaar aan de belknop, als startsein om dadelijk weer met het ondertussen schoongewassen en flink met verse slagroom opgestijfd patatje vrolijk over mannen met baarden te zingen. ‘Jan, Pier, Tjores en Corneel…’
Komt daar Hortensia. Nu mocht deze struise moeder al langer op de hoogte zijn van mijn passie voor musicals; ik verwachtte niet dat zij me met gezang zou verwelkomen. Alvast niet met vrolijk gezang, zoals zij me bij het openen van de deur met bezorgde blik aankeek. ‘Roosje is bij haar vriendin. Kom binnen!’
Hortensia had me wat te zeggen. Of te vragen. Of te weeklagen. Alles, behalve zingen. De zwart-witjes stoeiden over de lengte van de canapé, zorgeloos springend van de rugleuning naar de zijleuningen en weer op de zitplaats, zoals dat alleen voor de vinnige kleinsten is weggelegd. Hortensia deed haar best ze met een kussentje te verjagen, wat niet nodig was. Liever pakte ik een stoel. Zij stond nog met de rug naar mij gekeerd toen ik haar vroeg of zij nog nieuws had van Kamiel.
‘Zie, dat wou ik net van jou vernemen!’
Zo kwamen we van meet af aan bij nul uit. Of liever bij Hortensia’s bezorgdheid, haar verdriet, haar teleurstelling, haar vragen wat er kon gedaan worden om haar zoon weer thuis te krijgen.
Ik kon geen oplossing bieden. Vreselijk, maar om dit een moeder aan het verstand te brengen, zag ik me genoodzaakt het onmogelijke uit te spreken, sommige dingen bij hun lelijke naam te noemen.
WORDT VERVOLGD


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten