Zalig zijn in mijn achtertuin vannacht uw takkenbossen
u druipende kruinen dewelke wel dra mij verlossen
en uw vleugelen wanneer die in de regen roeren
teneinde naar mij toe u te zullen kunnen vervoeren
van eender wat ik aanvang contar spijt
maar morgen ben ik alles kwijt
En in die diep in dringende smart in fonkelend goud vanuit donker zwart
her opflakkerend vuur ieder uur
herkauw ik getrouw in een vroeg winterse kou
dit zeer oude zeer keer op keer
dit zich vergietende verdriet het welke wel bijna weder voorbij gaat subiet
om alsmaar mijn aller enige geliefde
Aldoor bovenop haar altaar als die steef priesteres die eens met haar mes mij doorkliefde
door klavers die alsmaar driftiger giftige papavers maken
kruipt als een slang door haar koortsige laken
gij weder een keer over mijn knarsende natte pannendaken
aan hoor dit gebladerte Ruisen
begrijp het waarom van de tsjirpende duisternis
waarom die reeds aan het juichen is
beluister in het geknisper van vochtige twijgen
op doorn topper betoverde vogels voor eeuwig gezegende veders krijgen
om zo nederig en toch ook zo weelderig hen dit gegeven is
mee neder te neigen of op de klimopweider mee op te stijgen
door tegen de stromingen inte druisen
verwelkom met ijzeren kelken alom de komst van de keizerin van Pruisen
Wier spijkers mij mogen doorkruisen
laat straks als vanuit een roestige zo groezelig dakgoot zo scharlaken rood van leven naar dood
tegen haar aan tegen haar op plots al mijn aderen ledig bruisen
bij daglicht trad al eens het volk te saam
en sprong er toen een jongeling ruggelings door het raam
hoog daarboven drijft een boot
het is Christus Koning vermoord lijk een jood
hoger nog in raar bogende baren daarenboven
verschijnt daar maanverlicht een schip
das dus judas is Kariot vermoord lijkt een kip
kom kieper ikoniosch nu
die ondersteboven gekroond lommer van u
onder tromgeroffel over ons neder
gekleed in kant en leder
kreukel kronkelende cobra
leun kreunend in sprankelende klanken voorover over rank wankelend de fragiele flanken
van als van flanel zo ontvankelijk een lelieblank
sereen de zich ontuisterend strakke bruidsluier
vlak onder onze vensterbank
aanzie in die ingewikelden twinkelingen
en enkele, besprenkelde
zoet woekerende droom struik
een zwevend geweven doorgeefluik
zwaar wegend als een een waterkruik
een zich dronken bedrinkende rinkelende ruiker
voor een verliefd zich verlovende
gods immere liefde lovende hoogstroomgebruiker
diepzeeduikster in dit koorlied om voorspoed voor nu spoedig onze beloftevolle bruiloft
kom zoals vroeger
zo voorzichtig voorzichtig schuifelend
onder ginder die gebroken schommelende luifel
van gewillig zich als Onze getuigen over ons buigende
ruig wuivend zich in een verdichtende lucht vluchtig verstuivende
zich even even evenwichtig als gewichtig oprichtende
Doch dan toch weder zwichtende zo grillig wichelende wilde wilgen
hitsige knotwilgen
wanneer die in de schimmig glimmende Seringen der herinneringen
gauw nu weder zouden willen beginnen zingen van
als vanouds
onze bladgouden trouwringen
alvorens van slingerende torens in onze getouwen te springen
schitterend wit glinsterend uw vlugge terugkeren begerig erend,
gestaag mij genakende bevrijding,
tuimelen daarbuiten in schuimend schuin vallende walsende Kranssen
als waren het aan lange lansen banieren, zo glanzend fier
alle dansende dieren
schrander me kan der bekorende eekhoorns
die is tevens en thans intens gebeten weten ook ons
geborgen in dons
als met een zich mals als op een spons plots plengende plons te plezieren
door liederlijk schier ieder weekend kerstmis te willen vieren
die eerder reeds zo bevlogen vernomen, hoog ladders in fladderende boomvogels,
die sierlijk alle samen namens de brandende bramen komende van het vrome Rome
heerlijk in deze eerlijk regende regen zegenvieren
om van in Gods aller bovenste vlaggenmasten alvast de verste sterren te kunnen bestieren
onder de wonderlijk zovele vonken van donkergele venster lichten
in weelderig de ferme gensters van voor onze venus heringerichte vergezichten
weerklinken vooreerst reeds de vroegste voorberichten van allerprilste bliksemschichten
in verboden gebeden in zich vereenzamende binnensteden
toch overal brengen die schichtige bliksemschichyten schichtige wereldvrede
genade tot over onze rammelende wasdraden
maar jammer
Heb echter echt erbarmen
behàlve die vurige vogels van over de vreemdste riviere
behàlve die vaardige knaagdieren
verscjijnen vannacht vanachter mijn goprijnen eveneens zo ineens
van dieper hieronder
Ach nachtmerrieachtig wonder
uitzonderlijk schuimbekkend stuiptrekkend zich uitrekken
uit huivering schors overdekkende wortels en zich als gek ondergronds los worstelende wieren
zelfs de hellespont terstond ontsierende
muitende buitelende vliegende mieren
eens even aangeduid meteen zeer luid fluitend verkruimelend
in de verschrikt schril gillende scharnieren mijner eigenste gekrakeel leerde deurkieren
in de versplinterend kill rillende reten en engelen verstrengelende spleten
van afgrijselijk ijselijk's werelds vergeten pijn kreten
's werelds meest verbeten gepredikte bezwering's brevieren tegen in,
in dit vermetele ziekenbed met tegenzin van in het begin
zich vernietigende nieren en plots Opgezwolle zweetklieren
zich verrekkende nekspieren
eensklpaps in ieders kraag een nieuw gekomen Assyrische plaag
ijlings over iedere lagere haag
schrijlings over iedere hogere heg
pijlsnel naar ons onderweg
als kwijlende puiten blijvende speken blijvende spuiten
verniet ook onafgebroken blijvende kuitschieten
in griezelige groenen voelsprieten
die zich, mekander kruisbestuivend, verbazend verdwazend aaneensluiten
tegen deze steeds weder geheel vergeefs gegeselde gevel ruiten
oh zondig bevonden onkruid in kringelende rook adem ons uit
gruis keer weder trug naar uw thuis, uw verblekende tempels van tepels in kelken dewelke verwelken
oh Nazareno laat al uit mijn luid van lood zo laat al uit mijn leed een lied ontspruiten
unieke muziek en enkel enkele ziekelijke duiten
gewrongen onder de gestorven tong
van onze broeder die vroeger psalmen zong
onze om zijn droogvoeder gesneuvelde varkenshoeder
de scheelogig zich aan rood reuzel dood zogende schoonzoon van Christus gekruisigde kuismoeder
aanzie de leegbloedende pleegmoeder van de verloederde prins
van de verkwanselde laatste kans
de mismaakte dans
onder de gemiste bus ver voorbij de terminus van Cerberus
berucht om zijn zure lucht van versulferde muskus
als uiteen gevallen uit eender los bungelende galgen tussen van tussen
De zo walgelijk als door zwevende kwallen hoog bovenop onze stadswallen tot crucifixen gekrulde rattenvallen
van het gevallen Damascus
trad daar al aan wal dus
de lepralijder gepensioneerd oud-strijder lazarus
de belazerde razende mus.
immers vrienden kinderen ginder kijk
die farizeers van eergisteren wanneer kregen die een keer gelijk
herrezen is al zeker voorf eventjes onze voor een obool gedode kever
eerbiedig op zijn kop gekeerd en teder weder opgeveerd vantussen nog andere mussen
van tussen de zwigende twijgen van zijn eigen verboden dodenrijk
en daar ook van daan uw moder mijn okeren slijk
reeds aan de lederen veters van uw vinnige visserslaarzen
an toen tussen bloederige vaarzen
te voet vrijwillig en toch voor straf
moegetergd uw erg aardige vader zich omzeggens blind in innerlijke binnenstegen vol tegenwind
en toch nog op een draf
in harnas ghans dwars de gebarsten labyrinten in begaf
Van de rotte gebinten van gods plots tot stof en rots verbrokkelende koninkrijken
en de krakende kruizen van zijn bezwijkende sluizen vol dobberende dierenlijken
fossiele reptielen
restanten van in antieke kranten verkommerde krekels in verkreukelde chrysanten.
van alle kanten in zich krommende drommen tot ons geklommen om ons te kunnen bkijken
om oins te zullen kunnen bereiken
door eens weder neder te strijken
van over door oorloig ooit in grimmige snippers en listige pluizen muisstil binnenstebuiten verguisde mistige buitenwijken
met al hun al tye sinistere wandeldijken
onoorbare prakrtijken in omvergekantelde kranen
langs halfvergaen liguster lanen
van distels vergeven en zeer nevelig bijgelicht als alles in dit gedicht
door manesikkel en bliksemschicht.
en weder die vele geel dampende lampen van ginder de rand van de wereld in zicht.
uw gril is nu mijn plicht
nu vreugdevol zelfs onze geurige treuwilgen voor u werden ontwordeld
en voorgoed werden ontwricht.
wees dan als bedeesde weeskinderen gegroet,
voor de herder herboren nog nat achter uw oren
veeg uw voeten wees gegroet kom verder binnen drink subiet iets liefst iets zoets
treed allen te gader nader
binnen die voluptueuze kader
van mijn luxueuze muren met daarraan mijn lachende lemuren
wanneer deze gluren naar de geglazuurde vloeren van mijn soms sombere binnenkoeren
waar op geen krukken geen hurkende duivel de duiven nog zal willen kunnen doen roekoeën
droef broedt de koekoek behoeftig
Stroef roept de beproefde, geboeid loensende oeroehoe genoeg
en de thee consumerende bever vroeg:
is dit inmiddels mijn leven
mij om het even
zoveel voor zo weinig
ga dan als adam van nul naar oneindig
besmeur die lederen veters van u met een onweders bezwerende likeur
en enter bij voorkeur geen vorstelijkee voordeur
verkies naar mijn geheime kursaal
liever een bescheiden zijportaal.
kmaan allemaal
haal uw galgemaal
het woord dat ik spreek is dit brood dat ik voor u breek.
vroeger beheerder kik hierbinnen dan ook een bibliotheek
heden loop ik eerder gewoon ovral tegen vanwege een zekere bijensteek.
Een min of meer genetisch zich wrekende sprekende psychische splinter
van die ene verdwenen winterbij
die wijzselijk van zijn ijzeige graf afweek
en die wegvloog over de bodem van een drooggedregde kreek
die eerste keer toen ik ineens naar u keek
mijoenen seizoenen geleden
eergiosteren nog vorige week.
of anders zelfs vanmorgen nog mischien.
in ieder geval, sindsidien nog styeeds vergeefs
de mij verterende pijn verbijtend
eerlijk alleen mijzelf het shrijnende chagrijn verwijtend
schijn ik intussen, schrale kale kandelabers in schuwe schaduwen naar binenn duwend
reeds gedrochtelijk ver gevorder te zij verworden
tot een zich aan tanende vlammen toch alsmaar drastoischer
bij de beide handen brandende bij de tien vingers grillende BOCHT
onznnig eigenzinnig want uiteindelijk zeer gewillig
krankzinnig een vrijwillige gevangene.
alsmaar adratsicher bevangen door dat aldoor groter geworden verlangen
naar die steeds meer wegdeemsterende gezangen
der ieder jaar andere want ieder jaar anders meanderenede lange wandelgangen
waarin lang gelden zonder enige reden ook ludwig de tweede
zonder hem te verdoven zonder iets om in te geloven
ondersteboven aan toortsen aan tangen
volgens de legende ondersteboven werd opgehangen
en toch, volg mij, mijn verloren zonen
langs die rare pilaren, die kille piloten
tot vlak onder een soort van valpoort
van vals gorgelende traporgeltonen.
wroegingen doorwroetend boetedoieningejn doorploeterend
om al dat vertoonde nioet eens meer verbijsterend
doorwaad ik strikt dagelijks in mijn grijs gebatike, wenig aristocratisch gerafelde
tragisgich pyjama
dramatischer naarmate ik voor niemand ergens nog om gratie smeek
een vrij naargeestig naar haar urine riekendee wijwater Beek;
kweekvijver van beklijvende twijfel
beitelend seipelend van stinkende klinken die zinkende in blinkende tapijten
dewelke eveneens volgende de legende
zelfs de trauma’s van de minotaurus van sint paulus
gemakkelijk in stukken zouden kunnen rijten.
m’n ouwe getrouwe bouwvakker die hier vanmiddag was
met zijn compas
brak een tak en sprak
‘van die 41 zee egels die, geboren onder deze tegels,
verschinnen en weder verdwijnen
zal nu wel gegarandeerde de meerheid verkwijnen.
tenzij die gedijen in beschimmelde schilderijen.
klopt zo stopte ik die absurd kop abrupt
Gelijk ikzelf onder een sixtijns gewelf
slijmen rijmend sluipend kruipend de fluimen ruimend
die intussen bijna litugrisch van de bungelde luchters druipen
in metallurgische badkuipen.
om ronduit chrigurisch zo nauwkeurig tegen de deurstijlen
te kunnen blijven kwijlen
kuchen druppelen dweilen
vervloek ik u nu vaker dan gewoon maar sommigerwijle
wroegingen doorwroetende boetedoeiningen doorploeterende tweeling broer van lazarus aldus
twee keer genoemd is drie keer verdoemd
ten tweede kere crepend is dubbel zo mensonterend
Gemaskerde trage kruiwagen afgezaagde lazarus
u kus bespeeldevele violen vanuit diepe riolen
dieper terug in die diep indringende tweestrijd die toch nog dieper
dan in de meest tegenwoordige tijd
de helige geest in tweeen splijt
en splitst ook plots
spits klotst dit wit vocht
om niks botst dit in tocht
van alle platen naar pluto van pluto naar plato
van plato in stacato naar diens dobberend verlepte neogrot.
ziehier
alle ramen rot haar brieven bij nader inzien bot haar gekende, veelal gekermde bijnaam keizerin Charlotte
bespottelijke kleindochter van de nog kleinere kleermaakster van de wel zeer minimale grootgeneraal bernadot.
garnaal zonder taal zonder verdomde strot.
rustig effengedrukte buxus mot onder een schunnige schitelvod.
bij zijn eerste premiere door zijn eigen derriere geheel zijn carriere verbrod
gij geniepig gniffelende giechelende grinnikende gekkin.
altoos om uw nodeloze noodlot toch ook zo nutteloos dit zaagt gij zelf toch in
doch zelf ziehier, ik cipier; aderloos vaderloos kniel ik hier nu zielig neer -
moedreloos een geledigde poederdoos onnadenkend een en ander wegschenkend aan weleer
aan haar enige traan haar lenige blanke rug
haar drank mijn drug
in droesems verdronken die indroeve mug
die om ziojn roes naar maeisie reisde
en vervolgens naar ons weder terug
tot in het vurigste purper van een turbulente lucht
getekend in ontucht
was ik eigenlijk aldoor voor iedereen op de vlucht
en tot in het oranje van de lange hangbruggen Charlemagne
versjacherde Charlotte
chapperoneerde gij mij mesjogge met ook uw tjechische marmot
charmerende mij met uw sjerpen mij chanterende met uw tarot
chamrerende ij in uw champagne
sjokckerend mij met als snot op uwdunne strot uw cumshot
sjorrende mij, gij geisha
ij trash en ik schlemiel
gecrascht in shangai in die te liche douche van dat tjokvolle cachot
verramsjte ghij mij vanaf in iuw flesjes ladyshave tot over uw shampoo pot
en crochteerde gij mij tot slot gij fetisj
in even chinees uw chinese naalden
wanneer ge deze haalde
van onder uw sjaal wanneer ge die sjouwde
als een sherpa als een shiva neen als een diva rond uw charlataneske dot
dansend rond uw elke polkadot
met om uw natte dot dat domme net dat uw bedot.
in uw bad ietwat te krap op uw bed ietwat te breed
in isobedatine gedept uw mond die mij vermeed
vanwege naar u weet mijn speeksel dat u speet
bits blikkerend uiw witte gebit een gebot dat tot op het bot iedere bittere bit kapotbeet
in dit ons opzwepend zeepsop
zabbert op ons dit ons afmatend zweet
neen meteen
gij deed voor mij geen goed
in regel het meest bij eb, doch meer nog bij vloed
in voor en tegenspoed
mij knevelende met uw knoet
doordat gij te graag in de gloed van de maan de glibbeige naam van baal aanriept
en zelden diep insliept
liept gij geraadbraakt ontwaakt vaak te volmaakt naakt voor mij uit
hoohuit uw lippen getuit vroegt gij mij een geruite blouse
droegt hij een verloerse blous
om mij omzeggend ziendend omdat ik u bespiedde te gebieden
kom stommen domme don
wes zoet tongzoen mijnn voet
wees flink drink van mijn bloed
o vloeiende gloeiende stoeiende schroeiende vulva
van valium en van vanille
verpulverend gulzig mij in stukken wurgende walpurgisbillen
zonder onder uw gewillige gillen
een miniroik om op te tillen
om ijverig aan uw ledige vijf mijn vege lijf te zullen villen
hihjgerig aan uw zondige ziel mijn zedige zaad zo laat zo verloochend alsnog helemaal te zullen verspillen
kwaamt gij schaamtekoos van over uw scharlaken deken uw gescheurde laken
schaerlanchend en geheel ritueel met gans uw gewicht
neer tez itten op ziehier mijn gezicht
om nu meer kommerloos mij te bidden kom dan viytal, meester van het heelal,
verzin ons maar weer eens een gedicht
en de olifant onaneerde
de regentes die dirigeerde
en het onweder van weleer dat keerde zich en psalmodieerde
wees eindelijk allemaal zorgeloo
argeloos
leef voortaan volledig vrij
spiegel u aan een zeematroos
de faraos van 100 jeroichos al vochten zij grnadioos zijn geen partij bij onze cupidoos en nog meer gendeloos hun chocolade doos voor u en voor mij
nee gij ijzingwekkende vorstin. vanuit uw korstige verleden
nu dus toch weder vanuit dat zo lang geleden zover vergleden veredelde Eden gekscherend terugkerend op uw schreden
glinstert ginds immers niet in dit zelfde wit blikkerende maanlicht een aandenken aan dat krijtwitte van uw gezicht
een derde wenkende bliksemschicht
reeds bijna nabij dit zo ons verbijsterende balkon
En in zwachtels omwonden zo onverwacht een schaduw van nu uw allerzachtst nachtjapon
trance waarin onze romance begon
en in diezelfde bittere vind dit gerafelde witte lint
aan uw voet die voodoo doet.
meduza zonder vlot
schaudw zonder schavot
mysteiek baam
aanriep ik vanuit de dieperik
Daarna nooit één keer meer, geen énkele ene minuiut meer ooit nog één keer tesaam.
Zoen zo gaat zijn laatste wens
nog een laatste keer deze mijn laatste mens
boen zijn droog opgebroken, gebroken witte lippen
met van blauw zout en zilver glimmend water
op verzinkende kleppen.
Verzoek hem die voor immer glimlachend ingemetselde Metusalem
tot in de grotten van het Jeruzalem van toen
zomers, alle loom en warm grasvelden heldergroen
verbrand de smeuïge geuren in deze rulle dubbelmatras
breek ons wederin tweeën alsof het terug 1974 was.
Zalig zijn in mijn achtertuin vannacht uw takkenbossen u druipende kruinen dewelke wel dra mij verlossen en uw vleugelen wanneer die in de regen roeren teneinde naar mij toe u te zullen kunnen vervoeren van eender wat ik aanvang contar spijt maar morgen ben ik alles kwijt
En in die diep in dringende smart in fonkelend goud vanuit donker zwart her opflakkerend vuur ieder uur herkauw ik getrouw in een vroeg winterse kou dit zeer oude zeer keer op keer dit zich vergietende verdriet het welke wel bijna weder voorbij gaat subiet om alsmaar mijn aller enige geliefde
Aldoor bovenop haar altaar als die steef priesteres die eens met haar mes mij doorkliefde
door klavers die alsmaar driftiger giftige papavers maken kruipt als een slang door haar koortsige laken gij weder een keer over mijn knarsende natte pannendaken
aan hoor dit gebladerte Ruisen
begrijp het waarom van de tsjirpende duisternis
waarom die reeds aan het juichen is
beluister in het geknisper van vochtige twijgen op doorn topper betoverde vogels voor eeuwig gezegende veders krijgen
om zo nederig hen dit gegeven is mij neder
te neigen of op de klimopweider mee op te stijgen door tegen de stromingen inte druisen verwelkom met ijzeren kelken alom de komst van de keizerin van Pruisen
Wier spijkers mij mogen doorkruisen laat straks als vanuit een roestige zo groezelig dakgoot scharlaken rood van leven naar dood tegen haar aan tegen haar op plots al mijn aderen ledig bruisen
hoog daarboven drijft een boot het is Christus
Koning vermoord lijk een jood
hoger nog in raar bogende baren daarenboven verschijnt daar maanverlicht een schip das dus judas is Kariot vermoord lijkt een kip
kom kieper ikoniosch nu die paars gekleurde lommer van u onder tromgeroffel over ons neder
gekleed in kant en leder
kreukpel kronkelende cobra
leun kreunend voorover over de lonkende flanken
van, fragiel zich ontkluisterend uit sluimerende lange ranken, die stil briesende witte bruidsluier
vlak onder onze vensterbanken
aanzie in ingewikelden twinkelingen
zoet woekerende droom struik als een zwevend geweven doorgeefluik zwaar wegend als een
Als een waterkruik
een zich dronken bedrinkende rinkelende ruiker voor een verliefd zich verlovende
gods elekrtische liefde lovende hoogstroomgebruiker
r diepzeeduikster in dit koorlied om voorspoed voor nu spoedig onze beloftevolle bruiloft
kom zoals vroeger
Voorzichtig in doorzichtig uw gewichtug schuifelende kamer kazuifel
ga zitten onder de gebroken schommelende luifel van gewillig zich als Onze getuigen over ons buigende ruig wuivend zich in een verdichtende lucht verstuivende zich even even evenwichtig als gewichtig oprichtende en dan toch weder zwichtende zo grillig wichelende wilde wilgen
wanneer die in de schimmig glimmende Seringe der herinneringen gauw nu weder zouden willen beginnen zingen van onze bladgoud blikkerende trouwringen
alvorens vanaf hun torens in onze touwen te springen
genadig ons benaderende gemalin
hierbuiten beluister dit hier tuimelen in schuimend schuin vallende walsende Kranssen als
Aan lange lansen banierenzo glanzend fier alle dansende dieren
schrander me kan der bekorende eekhoorns die is tevens en thans intens gebeten weten ook ons geborgen in dons als met een zich mals als op een spons plots plengende plons te plezieren
door liederlijk schier ieder weekend kerstmis te willen vieren
die eerder reeds zo bevlogen vernomen hoog ladders in fladderende boomvogels die sierlijk alle samen namens de brandende bramen komende van het vrome Rome
heerlijk in deze eerlijk regende regen zegen vieren om van in Gods aller bovenste vlaggenmasten alvast de verste ster te kunnen bestieren
onder de wonderlijk zovele vonken van donkergele venster lichten
in weelderig de ferme gensters van voor venbus heringerichte vergezichten
weerklinken schitterend reeds die eerste voorberichten van allerprilste bliksemschichten
in verboden gebeden in verblindende binnensteden
toch overal brengen die wereldvrede
ja uw genade zelfs over onzze rammelende wasdraden
maar jammer
jammerlijk verscjijnen vannacht vanachter mijn goprijnen eveneens zo ineens
niet alleen die vaardige knaagdieren, niet alleen die vurige vopgels van over de vreemdste rivieren
van dieper hieronder
Ach nachtmerrieachtig wonder bij donderslag
uit uw scheurende vlag
uitzonderlijk schuimbekkend stuiptrekkend zich uitrekkend uit huivering schors overdekkende wortels en gekke wieren
(en rivieren van grimmige wieren)
in griezelige wuiversde muitende buitelende vliegende mieren eens aangeduid meteen luid fluitend verkruimelend
in de verschrikt schril gillende scharnieren van mijn eigenste gekrakeel leerde deurkieren
in de versplinterend kill rillende reten en gEngelen verstrengelende spleten
van afgrijselijk ijselijk's werelds vergeten pijn kreten
's werelds steeds meer verbeten gepredikte bezwering's brevieren tegen in,
zeer zeker met veel tegenzin in dit vermetele ziekenbed van in het begin
zich vernietigende nieren en plots Opgezwolle zweetklieren
zich verrekkende nekspieren
eensklpaps in ieders kraag een nieuw gekomen Assyrische plaag
ijlings over iedere lagere haar schrijlings over iedere hogere heg pijlsnel naar ons onderweg als kwijlende buiten blijvende speken blijvende spuiten
voor mozes verniet ook aldoor blijvende kuitschieten
tegen deze steeds weder geheel vergeefs gegeselde gevel ruiten
oh zondig bevonden onkruid in kringelende rook adem ons uit
gruis keer weder trug naar uw thuis, uw verblekende tempels van tepels in kleken dewelke verwelken
oh Nazareno laat al uit mijn luid van lood zo laat al uit mijn leed een lied ontspruiten
unieke muziek en enkel enkele ziekelijke duiten
gewrongen onder de gestorven tong
van onze broeder die vroeger psalmen zong
onze om zijn droogvoeder gesneuvelde varkenshoeder
de scheelogig zich aan rood reuzel dood zogende schoonzoon van Christus gekruisigde kuismoeder
de leegbloedende pleeg moeder van de verloederde prins van de verkwanselde laatste kans en de mismaakte dans
onder de gemiste bus ver voorbij de terminus van Cerberus
berucht om zijn zure lucht van versulferde muskus
als uiteen gevallen uit eender los bungelende galgen tussen van tussen
De zo walgelijk als door zwevende kwallen bovenop onze verdukte stadswallen tot crucifixen gekrulde vergulde rattenvallen
van het gevallen Damascus trad daar al aan wal dus
de lepralijder gepensioneerd oud-strijder lazarus de belazerde razende mus.
immers vrienden kinderen ginder kijk
die farizeers van eergisteren wanneer kregen die een keer gelijk
herrezen is al zeker voorf eventjes onze gedode kever
om een droppel op zijn kop gekeerd en teder weder opgeveerd vantussen nog andere mussen
van tussen de twijgen van zijn eigen verboden dodenrijk
en daar ook van daan uw moder mijn okeren slijk
reeds aan de lederen veters van uw vinnige laarzen
an toen tussen bloederige vaarzen
te voet vrijwillig en toch voor straf
moegetergd uw erge vader zich omzeggens blind in innerlijke binnenstegen vol tegenwind
en toch nog op een draf
helegans dwars door de vele meest verweesde labyrinten begaf
Van de rotte gebinten van gods plots tot stof en rots verbrokkelende koninkrijken
en de krakende kruizen van zijn bezwijkende sluizen vol dobberende dierenlijken
fossiele reptielen
restanten van in anteiek kranten verkommerde krekels in verkreukelde chrysanten.
van alle kanten in kromme drommen gekomen om ons te kunnen bereiken
om oins te zullen kunnen bereiken
door eens weder neder te strijken
van over door oorloig ooit in grimmige snippers en listige pluizen muisstil binnenstebuiten verguisde mistige buitenwijken
meyt al hun al tye sinistere wandeldijken
onoorbare prakrtijken in omvergekantelde kranen
langs halfvergaen liguster lanen
van distels vergeven en zeer nevelig bijgelicht als alles in dit gedicht
door manesikkel en bliksemschicht.
en weder die vele geel dampende lampen van ginder de rand van de wereld in zicht.
uw gril is nu mijn plicht
nu vreugdevol onze geurige treuwilgen voor u werden ontwpordel
en voorgoed werden ontwricht.
(((Kijk herrrezen uit het slijk van het donker groen verdoemde doden rijk naargeestige geesten weesgegroet)
wees dan als bedeesde weeskinderen gegroet, voor de herder herboren nog nat achter uw oren
veeg uw voeten wees gegroet kom verder binnen drink subiet iets liefst iets zoets
treed allen te gader nader
in dit kader van luxueuze muren met daarraan mijn lachende lemuren
wanneer deze gluren naar de kromgetrokken vloeren van mijn sos sombere binnenkoeren
waarop geen krukken geen gehurkte duivel de duiven nog zal kunnen willen doen roekoeën
droef broedt de koekoek behoeftig
Stroef roept de beproefde oeroehoe genoeg
en de thee consumerende wezel vroeg:
is dit inmiddels mijn leven
mij om het even
zoveel voor zo weinig
ga dan als adam van nul naar oneindig
besmeer uw bedauwde schouders met een alles bezwerende geur
enter bij voorkeur geen vorstelijk gekroonde voordeur
kies met uw geheimtaal een zijportaal.
vroeger beheerder kik hierbinnen een bibliotheek
dan bewaarenik als ware dat een voregnapoleonistische lampekap haar corsicaanse steek
heden door waad ik wroegingen doorwroetend boetedoieningejn doorploeterend
dof rochelend onder muffe luchters en rijen schilderijen iedere week ( en oneindige rijen beschimmelde schlderijen)
een vrij naargeestig
naar haar urine ruikt ruikende wijwater Beek;
(brak kringelende) kweekvijver van beklijvende twijfel
beitelend seipelend op opgedrukte kussens blijvende kwijlen
blijvende druppelen blijvende dweilen
(((blijvende seipelen, blijvende druppelen blijvende kwijlen en bijten,)))
geheiligde neen steeds leper wederkerende lazarus u kus bespeelt voor ins vele violen vanuit diepe riolen
dieper terug in die diep indringende tweestrijd die toch nog dieper dan van binnen binnen zeeën in week weeën in tweeën splijt
in tween splitst zo plots spits klotst dit.
alle ramen rot haar brieven bot haar bijnaam keizerin Charlotte
bespottelijke kleindochter van de nog kleinere kleermaakster van grootgeneraal bernadot.
garnaal zonder taal zonder verdomde sprot.
met zijn natte reet in zijn zweetkot.
gij eigenzinnig grijnznde, giechelend, gniffekende gekkin.
kin altoos om uw nodeloze noodlot ook zo nutteloos dit zaagt gij zelf toch in
en zelf ziehier, ik cipier; aderloos en vaderloos kniel ik redeloos dioeper nog neer -
moedreloos een geledigde poederdoos onnadenkend alles wegschenkend aan weleer
aan haar enige traan haar lenige blanke rug
haar drank mijn drug
haar oranje van de lange hangbruggen Charlemagne
gij sjieke charmante nee choquerende Mesjogge mij chanterende versjacherde Charlotte met uw dot.
met om uw natte dot dat domme net dat uw bedot.
gij deed voor mij geen goed
liept eens geraadbraakt ontwaakt vaak te volmaakt naakt voor mij uit
neen wel vroegt gij en dus droegt gij nog een hoed.
schaamteloos Quand gij toen zitten op gezicht
om kommerloos mij te bidden kom schrijf ons nog eens een gedicht
een gericht gedicht
en de vroeg regen keerde zich en psalmodieerde
wees zorgeloos wees altijd argellos wees meestal blij leef als een zeematroos die het breedste sop verkoos als bijna een bosframboos izjn blos nabij
en de jonge donder verwonderde zich en vervolgend
de faraos van 100 jeroichos al vochten zij grnadioos zijn geen partij bij onze cupidoos en nog meer gendeloos hun chocolade doos voor u en voor mij
nee gij ijzingwekkende vorstin. vanuit uw korstige verleden
nu dus toch weder vanuit dat zo lang geleden zover vergleden veredelde Eden gekscherend terugkerend op uw schreden
glinstert ginds immers niet in dit zelfde wit blikkerende maanlicht een aandenken aan dat krijtwitte van uw gezicht
een derde wenkende bliksemschicht
reeds bijna nabij dit zo ons verbijsterende balkon
En in zwachtels omwonden zo onverwacht een schaduw van nu uw allerzachtst nachtjapon
trance waarin onze romance begon
en in diezelfde bittere vind dit gerafelde witte lint
aan uw voet die voodoo doet.
Zoen zo gaat zijn laatste wens
nog een laatste keer deze mijn laatste mens
boen zijn droog opgebroken, gebroken witte lippen
met van blauw zout en zilver glimmend water
op verzinkende kleppen.
Verzoek hem die voor immer glimlachend ingemetselde Metusalem
tot in de grotten van het Jeruzalem van toen
zomers, alle loom en warm grasvelden heldergroen
verbrand de smeuïge geuren in deze rulle dubbelmatras
breek ons wederin tweeën alsof het terug 1974 was.
EDITIE 18 DEC 2025:
1 of I
zalig zijn in mijn achtertuin vannacht uw takkenbossen.
uw druipende kruinen, dewelke weldra mij verlossen.
en uw vleugelen, wanneer die in de regen roeren
teneinde, naar mij toe, u te zullen kunnen vervoeren.
van eender wat ik aanvang komt er spijt -
maar morgen ben ik alles kwijt.
en in die diep indringende smart
in fonkelend goud vanuit donker zwart
heropflakkerend vuur, ieder uur,
herkauw ik getrouw in een vroeg winterse kou
dit zeer oude zeer, keer op keer.
dit zwoegend zich vergietende verdriet,
hetwelke wel bijna weder voorbijgaat subiet,
om alsmaar mijn allerenige geliefde.
aldoor bovenop haar altaar als die stiefpriesteres
die eens met haar mes mij doorkliefde.
door klavers die alsmaar driftiger giftige papavers maken,
kruipt als een slang door haar koortsige laken
gij weder één keer over mijn knarsende natte pannendaken.
aanhoor dit gebladerte ruisen.
begrijp het waarom van de tsjirpende duisternis.
waarom die reeds aan het juichen is.
beluister in het geknisper van vochtige twijgen
op doorntoppen betoverde vogels
voor eeuwig gezegende veders krijgen.
om zo nederig en toch ook zo weelderig hen dit gegeven is
mee neder te neigen
of op de klimop weder mee op te stijgen -
door tegen de stromingen in te druisen:
verwelkom met ijzeren kelken alom
de komst van de keizerin van pruisen.
Wier spijkers mij mogen doorkruisen.
laat straks als vanuit een groezelige dakgoot,
geheel roestig, zo scharlaken rood, van leven naar dood,
tegen haar aan, tegen haar op plots,
al mijn aderen ledig bruisen.
(bij daglicht teedt het volk te saam
en springt er een jongeling ruggelings door het raam.)
—
om de god van het goddeloze te betichten
verschijnen dra drie bliksemschichten
de eerste voor water voor stenen voor planten
de tweede voor dieren voor mensen en voor aanverwante
alleen de derde bliksemschicht
wordt voor u aangesticht
voor alle schade die gij
aan mijn bestaan hebt aangericht.
dat is de legende
dat is het voorbericht
zo zal zijn begonnen
dit wereldberoemde gedicht.
2 of II
hoog daarboven drijft een boot
't is Christus Koning vermoord lijk een jood
hoger nog in raar bogende baren daarenboven
verschijnt daar maanverlicht een schip
das dus Judas Iskariot vermoord lijk een kip
kom kieper ikonisch nu
die ondersteboven gekroonde lommer van u
onder tromgeroffel over ons neder
gekleed in kant en leder
kreukel kronkelende cobra
leun kreunend in sprankelende klanken voorover over rank wankelend de fragiele flanken
van als van flanel zo ontvankelijk een lelieblank
uw sereen zich ontkluisterende strakke bruidsluier
vlak onder onze vensterbank
aanzie in die ingewikelden twinkelingen
die enkele, besprenkelde
zoet woekerende droomstruik
als een zwevend geweven doorgeefluik
Zwaarder wegend dan een een waterkruik
een zich dronken bedrinkende rinkelende ruiker
voor een verliefd zich verlovende
gods immere liefde lovende hoogstroomgebruiker
o diepzeeduikster in dit koorlied om voorspoed voor nu spoedig onze beloftevolle bruiloft
kom zoals vroeger
voorzichtig schuifelend
onder ginder onze gebroken schommelende luifel
als een doorzichtig zich vertakkende kruidenkazuifel
van gewillig zich als Onze getuigen over ons buigende
ruig wuivend zich in een verdichtende lucht vluchtig verstuivende
zich even even evenwichtig als gewichtig oprichtende
Doch dan toch weder zwichtende zo grillig wichelende wilde wilgen
hitsige knotwilgen
die in de schimmig glimmende Seringen der herinneringen
der vlijtig zich vernauwende verhoudingen
gauw nu weder zouden willen beginnen te zingen van, als vanouds,
onze bladgouden trouwringen.
3.
alvorens van hogere torens onze getouwen in te springen
uw vluggere, gunstigere terugkeren begerig erend,
tuimelen daarbuiten in schuimend schuin vallende walsende Kranssen
als waren-het aan lange lansen rap wapperende banieren, zo glanzend fier
alle dansende dieren
schrander mekander bekorende eekhoorns
die zich tevens en thans intens gebeten weten ook ons
geborgen in dons
als met een zich mals als op een spons plots plengende plons te plezieren
door liederlijk schier ieder weekend kerstmis te willen vieren
die eerder reeds zo bevlogen vernomen, hoog ladders in fladderende boomvogels,
die sierlijk alle samen namens de brandende bramen komende van het vrome Rome
heerlijk in deze eerlijk regende regen zegenvieren
om van in Gods allerbovenste vlaggenmasten alvast de verste sterren te kunnen bestieren
onder de wonderlijk zovele vonken van donkergele vensterlichten
in weelderig de ferme gensters van voor onze venus heringerichte vergezichten
weerklinken vooreerst reeds de vroege voorberichten van allerprilste bliksemschichten
in verboden gebeden in vrijwillig zich vereenzamende binnensteden
toch overal brengen die schichtige bliksemschichten schichtige wereldvrede
genade tot over onze rammelende wasdraden
maar jammer
Heb echter echt erbarmen
behàlve die vurige vogels van over de vreemdste rivieren
behàlve die vaardige knaagdieren
verschijnen vannacht vanachter mijn gordijnen eveneens zo ineens
van dieper hieronder
Ach achterlijk wonder bij zo onverwacht een nachtmerrieachtig krachtige donderslag
uitzonderlijk schuimbekkend stuiptrekkend zich uitrekkend
uit huivering schors overdekkende wortels en zich als gek ondergronds los worstelende wieren
zelfs de hellespont terstond ontsierende
vliegende mieren
eens eventjes een beetje maar maar naarstig aangeduid
meteen zeer luid fluitend verkruimelend
in de verschrikt schril gillende scharnieren mijner eigenste gekrakeleerde deurkieren
in de versplinterend kill rillende reten en engelen verstrengelende spleten
van afgrijselijk ijselijk 's werelds vergeten pijnkreten
's werelds meest verbeten gepredikte bezweringsbrevieren tegenin,
in dit vermetele ziekenbed in het begin
(met tegenzin) zich vernietigende nieren en plots Opgezwolle zweetklieren
zich verrekkende nekspieren
eensklaps in ieders kraag deze nieuw gekomen Assyrische plaag
ijlings over iedere lagere haag
schrijlings over iedere hogere heg
pijlsnel naar ons onderweg
als kwijlende puiten blijvende speken blijvende spuiten
verniet ook onafgebroken blijvende kuitschieten
in griezelige groene voelsprieten
die zich, mekander kruisbestuivend, (verbazend verdwazend) (vuilnis opzuigend)
(als ruivende vledermuizen),
een na een aaneensluiten
tegen deze steeds weder geheel vergeefs gegeselde gevelruiten
4.
o zondig bevonden onkruid in kringelende rook, adem ons uit
gruis keer weder terug naar uw thuis,
uw verblekende tempels van tepels in kelken dewelke verwelken
o Nazareno laat al uit mijn luid van lood zo laat al uit mijn leed een lied ontspruiten
unieke muziek om enkel enkele ziekelijke duiten
gewrongen onder de gestorven tong
van onze broeder die vroeger psalmen zong
onze om zijn droogvoeder gesneuvelde varkenshoeder
de scheelogig zich aan rood reuzel dood zogende schoonzoon van Christus gekruisigde kuismoeder
aanzie die leegbloedende pleegmoeder
van de verloederde prins
van de verkwanselde laatste kans
en de mismaakte dans
onder de gemiste bus ver voorbij de terminus van Cerberus
berucht om zijn zure lucht van versulferde muskus
als uiteen gevallen uit eender los bungelende galgenlussen van tussen
De zo walgelijk als door zwevende kwallen hoog bovenop onze stadswallen tot crucifixen gekrulde rattenvallen
van het gevallen Damascus
trad daar al aan wal dus
de lepralijder, gepensioneerd oud-strijder, lazarus
de belazerde razende mus.
- of III
immers vrienden kinderen ginder kijk
die farizeers van eergisteren, wanneer kregen die een keer gelijk
herrezen is al zeker voor eventjes onze voor een obool gedode kever
eerbiedig op zijn kop gekeerd en teder weder opgeveerd vantussen nog andere mussen
van tussen de zwijgende twijgen van zijn eigen verboden dodenrijk
en daar ook vandaan uw modder mijn okeren slijk
reeds aan de lederen veters van uw vinnige visserslaarzen
van toen tussen bloederige vaarzen
te voet vrijwillig en toch ook voor straf
moegetergd uw erg aardige vader zich omzeggens blind in innerlijke binnenstegen vol tegenwind
en toch nog op een draf
in harnas gans dwars de gebarsten labyrinten in begaf
Van de rotte gebinten van Gods plots tot stof en rots verbrokkelende koninkrijken
en de krakende kruizen van zijn bezwijkende sluizen vol dobberende dierenlijken
fossiele reptielen
restanten van in antieke kranten verkommerde krekels in verkreukelde chrysanten.
van alle kanten in zich krommende drommen tot ons geklommen om ons te kunnen bekijken
om ons te zullen kunnen bereiken
door eens weder neder te strijken
van over door oorlog ooit in grimmige snippers en listige pluizen muisstil binnenstebuiten verguisde mistige buitenwijken
met al hun al te sinistere wandeldijken
onoorbare prakrtijken in omvergekantelde kranen
langs halfvergane ligusterlanen
van distels vergeven en zeer nevelig bijgelicht, als alles in dit gedicht,
door manesikkel en bliksemschicht.
en weder die vele geel dampende lampen van ginder dan de rand van iedere wereld in zicht.
uw gril is nu mijn plicht
nu vreugdevol zelfs onze geurige treuwilgen voor u werden ontwordeld
en voorgoed werden ontwricht.
6 of IV
wees dan als bedeesde weeskinderen gegroet,
voor de herder herboren, nog nat achter uw oren
veeg uw voeten wees gegroet kom verder binnen drink subiet iets, liefst iets zoets
treed allen te gader nader
binnen die voluptueuze kader
van mijn luxueuze muren met daaraan mijn lachende lemuren
wanneer deze gluren naar de geglazuurde vloeren van mijn soms sombere binnenkoeren
waar op geen krukken geen hurkende duivel de duiven nog zal willen kunnen doen roekoeën
droef broedt de koekoek behoeftig
Stroef roept de beproefde, geboeid loensende oeroehoe genoeg
en de thee drinkende bever vroeg:
is dit inmiddels mijn leven
mij om het even
zoveel voor zo weinig
ga dan als Adam van nul naar oneindig
besmeur die lederen veters van u met een likdoorns bezwerende likeur
en enter bij voorkeur geen vorstelijkee voordeur
verkies naar mijn geheime kursaal
liever een of ander bescheiden zijportaal.
komaan allemaal
haal uw galgemaal
het woord dat ik spreek is dit brood dat ik voor u breek.
vroeger beheerden-ik hierbinnen dan ook een bibliotheek
heden loop ik eerder gewoon overal, tegen vanwege een zekere bijensteek.
Een min of meer genetisch zich wrekende sprekende psychische splinter
van die ene verdwenen winterbij
die wijselijk van zijn graf afweek
en die wegvloog over de bodem van een drooggedregde kreek
die eerste keer toen ik ineens naar u keek
miljoenen seizoenen geleden
eergisteren vorige week.
vanmorgen nog anders mischien.
in ieder geval, sindsdien nog steeds vergeefs
de mij verterende pijn verbijtend
eerlijk alleen mijzelf het schrijnende chagrijn verwijtend
schijn ik u intussen in ogenschijnlijk oneindige lussen
toch reeds als met een penseelstreek
op uw tederste tenen te kunnen kussen,
verrukkelijk in dit etruskische zitkussen,
verkwikkelijkste bezitser van, vakkundig als een kunstig museumstuk
’t zo gretig weder opgezogen liefdesgeluk
van van u een zich vernieuwende knieafdruk
waarvoor ik gehorig mij buk
en straks al straffeloos zo gemakkelijk
al mijn lasterlijke laf afgestofte doffe vossemaskers
van onderaf van mij afruk
al mijn mijters als mijn mutsen als een juk.
als in de ban van iets van justitie.
als in de val van nog altijd ijdel uw vals bevallige japanse japon
waarin in lazuur geborduurd onder een ondergaande zon
spitsvondig uW zorgvuldig ons verdoemende zoetwaterbron.
bronwater zoet en weldadig
zich wentelend
in nu werkelijk een kerkelijke cascade
van knetterend elektrische binnenzwembaden
dewelke vandaag niet alleen, maar alle dagen
in knallende slagregenvlagen
u naar ons terugdragen,
van ginds de blindste horizon
tot in spinaziegroen toén wel
ditzelfde geschelfde literaire salon
waarin gij in trance ons onze romance verzon
waarna voor ons de zondeval begon.
7.
wanneer ik onder ditzelfde vallende water
maar dan zeventien eeuwen later
hierbinnen stil biddend
om banen te breken mijn aansteker aanspreek
en meer nog wanneer, ijverig ijsberend zoals weleer,
uw eens zo onberispelijke beeltenissen weder inhaleer,
ja als ik u omvadem
en vervolgens uit alle macht amechter weder uitadem
ik gore roker gij ongure pure vuurpoker
aanzie dan van in uw divan
gij beverig, ik kleverig
in die krijtwitte lucht die ik kuchend in uw richting uitzucht,
ja, aanzie dan van in uw divan
die immer driftiger schimmen nu van u die ons omringen
wel helder wellende schimmen in welke telkens dringender ik u nu naar binnen zou wensen te wringen
om zelf er zelfs in weg te springen
in zo zonderling intiem ineens
uw stiekem mij kietelende tintelingen
van in uw vingervlug en vaardig mij eigenaardig sidderend omkaderende VERMAARDE
(bij miraden mij dooraderende) zilverdraden
dromerig ook van over uw verchroomde bureaulade
uw zo raadselachtig in mijn richting ademende, stil kringelende griekse sieraden
zoals in mijn herinneringen uw slingerende linnen gewaden
zo ongenadig zwierig
binnenin ziehier die intriestig mijmerende slierten vanaan, wel aan,
mijn miezerige sigaar
gedurig vurig uw fluwelen juwelen, aan schraal mijn kale kandelaar
eens eventjes een beetje maar maar naarstig aangeblazen
meteen schrikwekkend verwekt in extase
Dit ontiegelijk zo bedriegelijk gewiekst wiegende kluwen
van van zwavel vervliegend uw voor lucifer herschilderde verwilderde vlinders
overwinterend in glinsterende glazen bokalen
en als in een oase van turkoise walmen gebalsemd zo onguur
uw verzurende verzameling van van zaagsel vervuld zo macaber zwaar wegend
zo funeraal verguld
uw aan uw onweder ontstegen,
aan uw garen kralen aaneengeregen regenzwaluwen
die zich aanstuwen
en die zich
in die minder schuw dan schrander zich in die schimmen van u verschansende schaduwen
vernuftig vlug over ons uitschuiven om ons onder te duwen
om ons gruwelijke huwelijk uiteindelijk wel degelijk zo dadelijk
zeer duidelijk ruiterlijk uit te spuwen.
8.
ach mijnlubuger traag tanende waakvlam
o onscherpe schaar aan een aan mij schrapende kam
zo hopeloos verloren liep het ongeschoren geboren lam
alsmaar lamlendiger en ellendiger
alsmaar lamentabeler,
sinds Kain en Abel zo miserabel
van aanvang af aan vervangen
door dat aldoor groter geworden verlangen
naar die steeds meer wegdeemsterende gezangen
der ieder jaar andere want ieder jaar anders meanderenede lange wandelgangen
in okeren rook ook alsmaar ontoegankelijker,
alsmaar vergankelijker en onontvankelijker
dit steeds meer gefrustreerde begeren
eens één keer te zullen kunnen aanmeren
aan vermoedelijk ergens daar, aan oevers zo zwart als teer
uw artificiële zwanenmeer
zo ongeveer
waar lang geleden
hoog bovenhop een bloedende treden
een eveneens nogal ongelukkige ludwig de tweede
zonder verdoven zonder iets om zinnig innig in te kunnen beginnen te geloven
en volgens de legende zelfs ondersteboven
aan naar omhooggetakelde tabernakels van schurende schakels
wreedaardig aan aan hem vretende kniptangen
oneindig vele meters hoger nog
geweten werd te zijn gereedgehangen
door toortsen doorboord zijn twee brandende wangen
als door een broodrooster geroosterd zijn twee oogbollen
binnenin zijn bolster gevangen
als hoogzwanger zo prangend
als een gepofte kastanje
en toch ook in oorlog
ook in ontij
ook in Zijn krijsen is er een verrijzenis
meer dan tijdelijk onvermijdelijk
zeer verleidelijk geleidelijk aan
zal dra onvoorwaardelijk
exotisch als ee boomgaard
ons paradijs op aard
tropisch voor ons opengaan.
Hypnotisch, om erotisch
voor altijd te zullen blijven bestaan.
9 of V
Zodoende, volg mij, mijn verloren zonen
langs rare pilaren, Korintische pilonen
volg mijj vrij tot ver voorbij
een soort van valpoort
van vals gorgelende traporgeltonen
en kom mij nu onderhand onttronen
uw verraderlijke vader
uw geledigde telefoonlader
Voor alsnog een slagader
voor al die diepzinnige naalden
die gij als dienaren in Dinars voor mij betaalden
als voor een dwazerik
als een doelverdwaasde dazrik
doorwaad ik
( wroegingen doorwroetend boetedoieningejn doorploeterend)
in een grijs gebatikte, weinig aristocratisch gerafelde
tragisgich pyjama
dramatischer naarmate ik in iedere patio u om uw oliende gratie smeek / breek
van weerzin te zeer van te zeer van streek
een vrij naargeestig naar haar urine riekende wijwaterbeek;
kweekvijver van beklijvende twijfel
beitelend seipelend van stinkende klinken die klaterend verzinken in blinkende tapijten
een tijgervel van zelfverwijten
die zelden vervellen, die nergens verslijten
al dreigen zij wel door die bedrukkende draagwijdte
feitelijk akelig eerlijk gezegd
eenvoudigweg weg te smelten
als een borrelende karamel
bij iedere minste trilling
van eender welke deurbel
tot in de keurig weder opgefleurde binnenkapel
voor een volgend vaarwel
10 of VI
sint paulus had een minotaurus
van trauma's hing die aaneen
een dorstige dinosaurus
een schreeuw in een steen
haast om niks
inderhaast, kwaadschiks
verwekten gijlie een archeopterix.
draag die nu gauw naar lauw water.
beschouw zijn vijf eieren later.
11 of VII
m’n ouwe getrouwe bouwvakker die hier vanmiddag was
met zijn compas
brak een pas geverniste tak en sprak
‘van die 41 eveneens eerder prehistorisch ogende zeeëgels
die, geborgen onder deze tegels,
verschijnen en weder verdwijnen
zal nu wel gegarandeerd de meerheid verkwijnen.
tenzij die gedijen in beschimmelde schilderijen.
Gelijk gijzelf onder uw sixtijns gewelf
slijmen rijmend sluipend kruipend fluimen ruimend
Dewelke intussen
buitengewoon ruimschoots maar nu dan als is een loods
litugrisch van uw bungelde luchters druipen
in metallurgische kuipen.
om ronduit chirgurisch zo nauwkeurig goudkleurig
tegen deze gefreesde, gefreubelde deurstijlen
te kunnen blijven kwijlen
te kunnen blijven kuchen druppelen dweilen
vervloeken wij u nu vaker dan gewoon maar sommigerwijle
villein ons verlagende
door vliegjes geplaagde
door de luizigste muizenissen aan zijn kruigwagen dagdagelijks vertraagde
en zo integraal afgezaagde
lazarus alweder aldus.
uw eens zo geneeskrachtige kus
bespeelde voor ons vele violen vanuit diepe riolen
dieper terug in die diep indringende tweestrijd die toch nog dieper
dan vanbinnen binnenzeeën van orchideeen in weke weeën
onmesnelijke verslenst in tweeen splijt
en splitst ook plots
spits klotst dit wit vocht
om niks botst dit in tocht
grotesk
uw orkest
voor alleen een eenzame strijker
alleen een eenzame sterrenkijker
van alle planeten speelt enkel nog
pluto de partituren plato
in stacato
in samenspel potsierlijk wel
met een vermolmende fagot
Nutteloos rond dobberend tot in Plato zijn verlepte nepgrot.
tot op het bot.
tot op de beenderen van eender welke kloostercel.
voor een volgende vaarwel.
12 of VIII
ziehier
alle ramen rot
haar brieven bij nader inzien bot
haar gekende, gekermde bijnaam keizerin Charlotte
bespottelijke kleindochter van de nog kleinere kleermaakster van de wel zeer minimale grootgeneraal bernadot.
garnaal zonder taal zonder verdomde strot.
rustig effengedrukte buxusmot onder een schunnige schotelvod.
nog voor zijn eerste premiere door zijn eigen derriere geheel zijn carriere verbrod
gij geniepig gniffelende giechelende grinnikende gekkin.
altoos om uw nodeloze, nutteloze noodlot toch ook zo meedogloos zag iedereen in
doch zelf ziehier, ik cipier;
aderloos vaderloos kniel ik hier nu zielig neer -
moederloos een geledigde poederdoos
onnadenkend een en ander wegschenkend aan weleer
aan haar enige traan, haar lenige blanke rug
haar drank mijn drug
in droesems verdronken die indroeve mug
die om zijn roes naar Maleisië reisde
en vervolgens naar ons weder terug
tot in het vurigste purper van een turbulente lucht
getekend in ontucht
was ik eigenlijk aldoor voor iedereen op de vlucht
en tot in het oranje van de lange hangbruggen Charlemagne
versjacherde Charlotte
chapperoneerde gij mij mesjogge met ook uw tjechische marmot
charmerende mij met uw sjerpen mij chanterende met uw tarot
charmerende mij in uw champagne
sjockerende mij met dun als snot op uw strot uw cumshot
sjorrende mij, gij geisha
gij trash en ik schlemiel
gecrascht in shangai in die te louche douche van een tjokvol cachot
verramsjte gij mij vanaf in uw flesjes ladyshave tot over uw shampoo pot
en crochteerde gij mij tot slot gij fetisj
in even chinees uw chinese naalden
wanneer ge deze haalde
van onder uw sjaal wanneer ge die versjouwde
als een sherpa neen als een shiva neen als een diva rond uw charlataneske dot
dansend rond uw elke polkadot
met om uw natte dot dat domme net dat u bedot(te,
dat ons beknotte.)
in uw bad ietwat te krap, op uw bed ietwat te breed
in isobedatine gedept uw mond die mij vermeed
vanwege naar u weet mijn speeksel dat u speet
bits blikkerend uw witte gebit een gebot dat tot op het bot iedere bittere pit kapotbeet
in dit ons opzwepend zeepsop
zabbert op ons dit ons afmattende zweet
neen meteen
gij deed voor mij geen goed
in regel meestal bij eb, doch vaker nog bij vloed
in voor- en tegenspoed
mij knevelende met uw knoet
doordat gij te graag in de gloed van de maan de glibberige naam van baal aanriept
en zelden diep insliept
liept gij geraadbraakt ontwaakt vaak te volmaakt naakt voor mij uit
hooguit uw lippen getuit vroegt gij mij een geruite blouse
droegt hij een verloursen hoed
om mij omzeggens ziedend
omdat ik u bespiedde, te gebieden
“kom, stomme, domme don -
wees zoet tongzoen mijn voet
wees flink drink van mijn bloed.”
o vloeiende gloeiende stoeiende schroeiende vulva
van valium en van vanille
verpulverend gulzig mij in stukken wurgende walpurgisbillen
zonder onder uw gewillige gillen
een miniroik om op te tillen
om ijverig aan uw ledige vijf mijn vege lijf te villen
hijgerig binnenin uw zondige ziel mijn zedig gespaarde maanzaad
laattijdig alsnog te verspillen
kwaamt gij schaamteloos van over uw scharlaken deken, uw gescheurde laken
schaterlanchend, geheel ritueel met gans uw gewicht
neder te zitten op ziehier mijn gezicht
om nu meer kommerloos mij te bidden kom dan al vital,
verzin ons maar weer een gedicht
en van porselein uit west-berlijn mijn olifant die broederlijn
die onaneerde
en beethoven zijn buste die orchesteerde
en pervers de regentes die dirigeerde
tot het onweder van weleer zich keerde en psalmodieerde
13 VIII
wees eindelijk allemaal zorgeloos
argeloos
leef voortaan volledig vrij
spiegel u aan een zeematroos
en het everzwijn van rode wijn als een harlekijn dicteerde.
en de thee drinkende bever, die noteerde
de faraos van 100 jeroichos al vochten zij grnadioos zijn geen partij bij onze cupidoos en nog meer gendeloos hun chocolade doos voor u en voor mij
14 of IX
nee gij ijzingwekkende vorstin. vanuit uw korstige verleden
nu dus toch weder vanuit dat zo lang geleden zover vergleden veredelde Eden gekscherend terugkerend op uw schreden
glinstert ginds immers niet in dit zelfde wit blikkerende maanlicht een aandenken aan dat krijtwitte van uw gezicht
een derde wenkende bliksemschicht
reeds bijna nabij dit zo ons verbijsterende balkon
En in zwachtels omwonden zo onverwacht een schaduw van nu uw allerzachtst nachtjapon
trance waarin onze romance begon
en in diezelfde bittere vind dit gerafelde witte lint
aan uw voet die voodoo doet.
meduza zonder vlot
schaudw zonder schavot
mysteiek baam
aanriep ik vanuit de dieperik
Daarna nooit één keer meer, geen énkele ene minuiut meer ooit nog één keer tesaam.
15 of X
Zoen zo gaat inderdaad zijn laatste wens
geen enkele keer meer deze melaatse mens
boen zijn droog opgebroken, gebroken witte lippen
met van rauw zout en zilver glimmend water
op verzinkende klippen.
Verzoek echter geen enkele keer meer hem
die grimlachend ingemetselde Metusalem
met dat immens mensonterende Jeruzalem van toen
(kwetsuren)
zomers alle loom en warm, grasvelden heldergroen
kom weder tot ons om voor ons nog alleen maar het goede te doen
begroet gestaag
als ware dit uw sarcofaag
moedwillig laag iun diep indigo blauw
in mierikswortel in wolfsklauw
een onvermoed stil knisperende vroege vrieskou
preices die dierlijke deerlijke diep indrinegend vrieskou
waarvan vanachter dr steveige pezige weefgetouw
uw ovegrootmpoeder vroeger niooit geloeven wou
hoe vroeg of laat in uw gelaat die u genaken zou.
begroet die nu te voet
en overschouw te goeder trouw
Die in wezen in vrede geborgen morgendauw
neen vouw nu gauw gedwee als een ree
reeds alletwee uw ogen dicht
en verlies aangewicht
aan aanrakingen aan uw aangezicht
aanvaard dit schitterend wit glinsyterende winterlicht
binennin wellicht een nog groter licht
dat al het ioverigen nog overbelicht
dat ogenblikkelijk ons nog als een veer nog meer naaar omhoog richt
tot in het allermeest oogverblindnende godengedicht ooit gesticht
en zwicht
ja val al alsof ik iets opraap half ondiep in slaap
voel al alsof ik iets omwoel die sierlijk zich aan wieren verspoelende binnenrivier
ga sierlijk en soepel
tot aan de van krassende raven overkoepelde staven van een orientaalse haven
en van daar dan af
vaar af ja vaar af gij dappere tjiftjaf
verdwijn in die vrijelijke gedijende vroom zich bevrijdende stroom
voorbij een voorbijdrijvende kromme boom
amper nog spartelend gekarteld in de dwarrelde flarden
van een verdampende droom die in stoom vervliegt
en die u nu de dag in wiegt
vaar af gij vleoeinde giraf
zonde rboeien zonder spaan
zonder te oeien toch inyegraal tot aan
talloze wereldzee*en van barensweeën daar vandaan
De gebrandschatte landerijen omrond de gebenedijde Jordaan
en zie daar breed grijnzend johannes de doper
zie daar wannes de stroper voor u gereedstaan
bina nabij dier meer dan velerlei karvelen van
geopaneerd in kaneel gefrituurd in saffraan
dier veilig weder aankomende kamelen karavaan
ga niet van ze lopen laat u gratis door ze dopen
klopt en men doet u open
vernietig niet het oninneembare
verneem het onnoembare
benoem van af de dieper liggende rietoevers
van cartago van djakarta van kartoum
Roemrijkhet zich zevende gezoem
van voor u alleen de levende lotusbloem
ja daarf is de legendariosche loutusbloem
die iedereen draagt
die alles graag weegt
die nooit iets vraagt
want dioe alles al weet
want die alles ook meteen weêr vergeet
en eet ervn van al die bladeren
eet ervan zoals uw verre voorvaderen
vrroeger en toen is toch enkel nog nu
en nu is gewis in uw frisse tenue
oins onbevangen verlangen naar u
zoals naar daarbeneden
teneinde de druppelende dageraad te kunnen betreden
vlak voorbij de buitendeur in een verfrissende geur
het vrolijke rumoer
van slordig rollende biertonnen pr de binnenkoer
verhuegdt zich de geur van mijn jeugd
in teruggevinden matras
Loop voort en zeg de mensen
Dat het enkel een vergissing was.
verbrand de smeuïge geuren in deze rulle dubbelmatras
breek ons wederin tweeën alsof het terug 1974 was.
Schijnen mij intussen
In ogenschijnlijk oneindige lussen
Immer grimmiger
die indringend, weinig vriendelijke schimmen van u nu.
Vergankelijk ontoegankelijk
Ontiegelijk in bedrieglijk uw geduchte kluwen
van alsmaar verschietende schaduwen.
aan schrale, kale kandelabers
Die voor ons uitschuiven.
En die ons vooruitduwen
En die ons gruwelijke huwelijk uiteindelijk zullen komen uitspuwen.
Ach mijn luguber traag tanende waakvlam.
Meer dan tijdelijk, onvermijdelijk
En zeer geleidelijk aan
Alsmaar traneriger vervangen
Door
schijnen mij intussen
in o o lussen
immer Grimmiger
die indringende schimmen van u nu.
alsmaar vergankelijker en ontoegankelijker
aan uw schrale kale kandelaber
dat ontiegelijke kluwen
van uw bedrieglijke schaduwen
die schuw zich voor mij uitschuiven
en die mij vooruitduwen
en die nu zullen uitspuwen
ons gruwelijke huwelijk
Ach mijn luguber traag tanende waakvlam.
Meer dan tijdelijk, onvermijdelijk
En zeer geleidelijk aan
Alsmaar traneriger vervangen
schijnen mij intussen
in o o lussen
immer Grimmiger
die indringende schimmen van u nu.
alsmaar vergankelijker en ontoegankelijker
aan mijn schrale kale kandelaber
dit ontiegelijke kluwen
van uw bedrieglijke schaduwen
die zich voor mij vooruit schuiven
en die mij vooruitduwen
die zullen uitspuwen
uiteindelijk ons gruwelijke huwelijk
Ach mijn luguber traag tanende waakvlam.
Meer dan tijdelijk, onvermijdelijk
En zeer geleidelijk aan
Alsmaar traneriger vervangen
schijnen mij intussen
in o o lussen
immer Grimmiger
die indringende schimmen van u nu.
alsmaar vergankelijker,
en ontoegankelijker
uw schrale kale kandelabers
uw ontiegelijke kluwen
van bedrieglijke schaduwen
die zich voor ons vooruit schuiven
en die mij onderduwen
die zullenuiteindelijk ons gruwelijke huwelijk uitspuwen
Ach mijn luguber traag tanende waakvlam.
Meer dan tijdelijk, onvermijdelijk
En zeer geleidelijk aan
Alsmaar traneriger vervangen
schijnen mij intussen
in o o lussen
immer Grimmiger
die indringende schimmen van u nu.
alsmaar vergankelijker en ontoegankelijker
aan schrale kale kandelabers
uw ontiegelijke kluwen
van bedrieglijke schaduwen
die zich voor ons vooruit schuiven
en die ons onderduwen
eb die uiteindelijk
ons gruwelijke huwelijk
zullen komen uitspuwen
schijnen mij intussen
in ogenschijnlijk oneindige lussen
immer grimmiger die schrander zich verschansende schimmen nu van u
Alsmaar vergankelijker en ontoegankelijker
aan schrale kale kandelabers
Het … kluwen …. Schaduwen
die zich zich voor ons uitschuiven om ons ten onder te duwen
om ons GR huwelijik uiteindelijk wel degelijk te zullen weten uit te spuwen
Ach mijn luguber traag tanende waakvlam.
Meer dan tijdelijk, onvermijdelijk
En zeer verleidelijk geleidelijk aan
Alsmaar traneriger vervangen
(((meer dan tijdelijk onvermijdelijk zeer verleidelijk geleidelijk aan
alsmaar traneriger vervangen
((schijn ik intussen, schrale kale kandelabers in schuwe schaduwen naar binenn duwend
reeds gedrochtelijk ver gevorder te zij verworden
tot een zich aan tanende vlammen toch alsmaar drastoischer
bij de beide handen brandende bij de tien vingers grillende BOCHT
onznnig eigenzinnig want uiteindelijk zeer gewillig
krankzinnig een vrijwillige gevangene.
alsmaar adratsicher))))
Lang geleden zonder reiniger reden teven eins nogal lang ongeluk Ludwig de tweede zonder te verdoven zonder iets om zinnigenig in te kunnen beginnen te geloven en volgens de legende zelfs onderste boven aan naar omhoog getakelde tabernakels van schurende schakels nog hoger getrokken tentakels aan ringdeketens aan hem vreten kniptangen geweten werd te zijn. Gereed gehangen. Door doorboord zijn twee brandende wangen voor de rol geteld zonder veldslag gevangen en toch ook in zijn krijsen is er een verrijzenis heilig dan keizerlijk volg mij mijn verloren zonen langs rare pilaren langs Korinthische piloten volg mij vrij tot vlak onder een soort van valpoort van vals gorgelende trappelt tonen en kom mij uw verraderlijke vader nu onderhand tronen.
Uw ons naargeestig onterende zwerende zwaluwen

























Geen opmerkingen:
Een reactie posten