woensdag 14 september 2022

GAST-AUTEUR


robertus baeken, die de vader is van don vitalski, schreef het boek "leonard en ik", over zyn nonkel leonard, de fameuze beeldhouwer. over 82 afleveringen verspreid, worden die mémoires hier integraal gepubliceerd.


photo: "Moe Wis"; portret van de moeder van de kunstenaar, in arduin, meer dan levensgroot.


LEONARD EN IK


door Robertus Baeken


11.
Een ander portret van haar, ook in blauwe hardsteen, heeft dan weer iets kolossaals. Niet enkel zijn de afmetingen meer dan levensgroot; vooral laat het een geestelijk sterke, dynamische persoonlijkheid zien. De beitel dringt diep in de steen, holt de slapen uit, verheft de jukbeenderen, toont een trotse mond, een opgeheven hoofd: de rots in de branding zoals ik me, dankzij de talrijke verhalen, die over deze sterke vrouw nog lang de ronde deden, kan voorstellen dat zij in haar jonge jaren moet geweest zijn.
   Langs de vroege portrettengalerij van allerlei verwanten verder wandelend, kom ik voorbij het in gips afgegoten, levensgrote naaktfiguur van zijn broer Peer. Het dateert van 1948, toen Peer nog profbokser was. Mijn nonkel is in zittende houding afgebeeld, zoals een wachtende atleet in de hoek van de ring: een beetje voorovergebogen, de ellebogen steunend op de knieën, wat een ontspannen indruk wekt. Aan zoveel kracht en mannelijke schoonheid is gauw iets mythisch. Wat mij betreft, werd aan alle voorwaarden tot mythevorming ruim tegemoetgekomen.
    Niet enkel was ik verbluft; een kind ontbreekt het ook gauw aan het realiteitsbesef om een individu in het juiste perspectief te plaatsen. Bovendien was de familie van mijn vader, ondanks onze flitsende bezoekjes aan Moe Wis, wat ‘veraf’, door vaagheid een beetje in de mist gehuld, wat de verbeelding aanscherpt. Van horen zeggen had ik dat nonkel Peer sparringpartner was geweest van de gewezen wereldkampioen halfzwaargewichten Staf Roth. Om de tuin geleid door een linke manager zou Peer naar Chicago zijn gelokt om er te kampen tegen de latere wereldkampioen zwaargewichten Jersey Joe Walcott.
    Chicago was eveneens ver weg - in denkbeeldige nevels gehuld - en klonk in mijn kinderoren al even mythisch als de naam van die zwarte reus, zijn quasi onoverwinnelijke tegenstrever. Dat mijn nonkel al tijdens de eerste ronde tegen het canvas ging, deed er niet toe. Ik hoorde dat de Amerikaanse scheidsrechters, om tegemoet te komen aan het publiek dat graag bloed ziet, de strijd meer laten betijen dan hun Europese collega's en aanvaardde het excuus dat mijn nonkel onvoldoende op een dergelijke ruwe kamp was voorbereid. 
   De hele familie baadde in de sfeer die de bokssport met zich meebracht. Het was een sfeer zoals nog te proeven is in de Hollywoodfilms uit de jaren veertig. Je aandachtige blik ontmoet er onderwereldfiguren met een gleufhoed en een dikke sigaar in de mondhoek. Je herkent de grauwe muren van een grootstad. Je hoort en ziet een sparring: de dreun van de geweldige bokshandschoen tegen de loodzware punching bag, breedgeschouderde, gespierde atleten, bezig met allerlei krachtoefeningen of langdurig touwtjespringen, ter afwisseling voor hun soepelheid. Wat verder het optreden van de verzorger: een louche figuur met een pet op en een handdoek om de nek. En alles speelt zich af in zwart-wit.

WORDT VERVOLGD...

Geen opmerkingen: