robertus baeken, die de vader is van don vitalski, schreef het boek "leonard en ik", over zyn nonkel leonard, de fameuze beeldhouwer (zie: photo). over 82 afleveringen verspreid, worden die mémoires hier integraal gepubliceerd.
LEONARD EN IKdoor Robertus Baeken
7.
Zoals mijn grootvader waren haar zonen voorbestemd om van jongs af in het bouwbedrijf aan de kost te komen. Ook Leonard toonde weinig belangstelling om te studeren. Zo volgde hij slechts tot zijn veertiende de Ecole Moyenne in de Turnhoutse Begijnenstraat.
Henri, de oudste, begon als zelfstandige steenkapper, terwijl Jef en Peer tijdens en vlak na de oorlog eerst nog hun kans waagden als beroepsbokser. Leonard liep een tijdje in hun voetspoor, maar zou per toeval in de kunstwereld verzeild raken. Zijn vader, die beroepshalve ook al eens in steen kapte, zag wel wat in hem. Doordat de avondleergangen van de Turnhoutse Academie voor Schone Kunsten met een tekort aan leerlingen kampten, liet hij zich op vraag van leerkracht Remi Cornelissen inschrijven voor het vak boetseren.
‘Wellicht was het niet zo'n toeval,’ zou zijn jeugdvriend, de graficus Staf Verbeeck, later getuigen. ‘Reeds als knaap werd Leonard door ruwe steen gefascineerd. Alle kunst verrukte hem! Een tikje op een blok arduin of marmer en hij hoorde hemelse klanken!’
Ofschoon hij door zijn volkse afkomst en lagere studies slechts weinig culturele bagage erfde, kwam in hem alras een natuurtalent aan het licht. Hierbij moet ik even denken aan het voorwoord van Paul Claudel tot de poëzie van Arthur Rimbaud, waarin hij beweert dat deze dichter een mysticus was in ruwe staat. Hetzelfde gaat, mij dunkt, op voor Leonard.
Maar wellicht zou ik me beter beperken tot het aforisme van Sieyès dat Stendhal in zijn Le Rouge et le Noir aanhaalt: ‘In Parijs vindt men elegante mensen; in de provincie kan men mensen van karakter aantreffen.’ Zo stel ik me immers ook Leonards aankomst voor, in januari 1944, op de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, waar hij slechts drie maanden zou verblijven. Twee jaar later zou hij deze studies opnieuw aanvatten en erin slagen om de normale leergang van vier jaar in slechts twee studiejaren met grote onderscheiding af te ronden. Om zich als beeldhouwer te vervolmaken, liet hij zich in 1948 inschrijven aan het Nationaal Hoger Instituut. Als belangrijkste leraars noemde hij Frans Claessens (1885-1968) en Henri Puvrez (1893-1971). Over deze tijd heeft Leonard weinig uitgeweid. Naar hij me vertelde was Puvrez begonnen als autodidact. (Overdag bestuurde de man een taxi.) Dat er voor een kunstenaar geen beter leerproces mogelijk is, werd ook zijn diepste overtuiging. Waarschijnlijk was dit een van de redenen waarom hij zijn studies aan het Hoger Instituut al na een jaar stopzette. Daarenboven was het een moeilijke tijd om aan de kost te komen, en hij was er niet blind voor dat zijn ouders moeite hadden de eindjes aan elkaar te knopen. Ook ondervond hij dat technische volmaaktheid bij het slaafs kopiëren van de natuur, gauw begint te vervelen, dat dit op zich nergens heen leidt, ja voor de persoonlijke ontwikkeling vaak zelfs een handicap kan betekenen.
WORDT VERVOLGD...


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten