vrijdag 13 juli 2018

letterkundig essay door don vitalski

VLAAMSE DICHTERS VANDAAG

-dit is de uiterst uitgebreide "brochure-tekst" voor by het vlaamse dichterspodium, hetwelk ik voor vandaag, vrydag de 13e juli, mocht te zamenstellen, voor het jaarlykse gedichtenfestival in groningen.

Paul Snoek uit Sint-Niklaas is dood. De onvolprezen JMH Berckmans uit Leopoldsburg is dood. Leonard Nolens uit Missenburg leeft nog, maar kan moeilyk tot in Groningen geraken. Toch werd ondergetekende, Don Vitalski, het verzoek voorgelegd, op 13 juli 2018 een waarachtig "Vlaams dichterspodium" op touw te zetten. Er blyft krankzinnig veel keuze over, 's lands poëzie bloeit als nooit tevoren. Alleen al het tweemaal per jaar opduikende, Vlaamse poëzietydschrift Het Liegend Konijn laat iedere keer opnieuw mooi veertig dichters aan het woord - die telkens alle veertig minstens goed genoeg zyn om serieus te worden genomen. Inderdaad, daar zitten ook wel Nederlanders tussen... Maar die zyn nooit zo spannend als Vlamingen, by wie de verhouding geschreven versus gesproken taal veel meer complex is... Valt uit zo'n onoverzienbare weelde werkelyk een achttal dichters te selecteren, dat voor Vlaanderen representatief zou heten? Acht meesterdichters, nog nét iets boeiender dan de anderen? Natuurlyk, ziehier...

De in levensjaren gerekend jongste dichteres op ons Vlaamse podium is de sinds 1993 in Hasselt getogen Moya De Feyter, wier by momenten ronduit geniale verzen terecht reeds allerlei pryzen wonnen. Haar jonge leeftyd is van betekenis; op onze poëzieavond is zy tegelyk de meest meest zoekende, meest verwachtingsvolle stem in huis. In haar debuut getiteld "Tot iemand eindelyk", wordt het aardse paradys hooguit bedreigd door onophoudelyke roadkills, overreên slangen en doodgeklopte muggen, samen te vatten als volgt:"ik wilde een minnares zyn maar werd / een huilende eekhoorn in een doodskist". Binnen haar universum van "volmaakt gevouwen stapels kleren" komt een regel als "ik baar een kind zonder hoofd" byna té hard binnen, die zou je eêr verwachten in "Deze zachte witte kamer", het debuut van haar tien jaar oudere collega Runa Svetlikova uit Mortsel. Waar De Feyters zinnen vaak blootsvoets, want voorzichtig wandelen, schynt Svetlikova forser te stappen, in laarzen. Haar keiharde gedicht "Myn kind werd niet als sneeuw geboren" moet deel uitmaken van ons patrimonium:"Ze heeft myn ogen, zeggen ze (...) Je ogen zyn de som van / wat ermee gezien is. (...) ik zie godzydank in haar gezicht / myn ogen niet." Al kan De Feyter er ook wat van, byvoorbeeld in haar ode aan haar moeder:"ook de merrie van de buren / moest het veulen drie dagen schoppen voor ze het te eten wilde geven."

Een befaamde Nederlandse schryver-markies liet wel eens opgetekend worden dat als je alleen maar een dichter bent, dat je dan eigenlyk net zo lief dood kan zyn. Een verlossing uit dit onverbiddelyke inzicht zou misschien bestaan uit een herwaardering van het genre genaamd het 'lange gedicht', zoals dit in Vlaanderen obsessief werd bedreven tot in het begin van de 20e eeuw, en dat per definitie meer ruimte, meer aandacht eist. Delphine Lecompte uit Gent, niet officieel maar wel in praktyk nog méér dan Els Moors onze Dichteres des Vaderlands, schynt ertoe voorbestemd om die taak, 'lansbreekster voor het lange gedicht', op een dag nog op zich te zullen nemen, zo moeiteloos als haar verzen uitbreiden, nooit één moment om fantasmen verlegen. Haar nieuwste, alweêr zeer lyvige bundel, "De baldadige walvis", haar zesde op vyf jaar tyd, schynt nog meer hallucinatorisch dan haar voorgangers. Hier spreekt, kortom, een ras-dichteres, raadselachtig in haar totale gebrek aan terughoudendheid - daarin misschien alleen gelyk aan dichter Peter Holvoet-Hanssen, die ik ook graag had uitgenodigd, maar die was verhinderd. Terloops misschien vermelden dat dit genoemde Walvisboek van Lecompte ook een prys zou moeten krygen voor beste vormgeving van het jaar - dankzy de arbeid van Gert Dooremanwie anders.

En dan nu een paar mannelyke dichters. Wat een beetje jammer is. Pas toen ik bezig was met programmeren, kwam ik tot het verpletterende inzicht dat op het moment, anno 2018, de meisjes bezig zyn, de jongens onder tafel te schryven.

Al staat daar wel op eenzame hoogte de gewezen Antwerpse stadsdichter Styn Vranken, oorspronkelyk uit Leuven, uniek om minstens drie reênen; 1. alle vyf zyn dichtbundels zyn erin geslaagd om helemaal uit te verkopen; 2. zonder zich te bezondigen aan de soms wat geaffecteerde podiumtruukjes van onze huidige, misschien wat overschatte generatie slam-dichters, weet Vranken zyn mild ironische toonaard als geen ander ook op dichterspodia tot leven te brengen, tussen zyn fyne gedichten door telkens een inleidinkje opdissend als zelfstandige miniatuurtjes, een Toon Hermans niet onwaardig; 3. één van zyn bundels is getiteld:"Wees gerust / maar niet hier."

Niet onvergelykbaar met Styn Vranken is de Gentenaar Christophe Vekeman. Eens dood en verast, zal Vekeman worden herinnerd als een romancier; zyn enige dichtbundel tot dusver, "Dit is geen slaapkamer meer nu", is misschien niet meteen een historisch onomkeerbare totaalbybel. Toch moét Vekeman op het Vlaamse podium present tekenen, namelyk omdat hy onderhand dringend, als auteur tout court, ook in Nederland minstens zo beroemd zou moeten worden als pakweg Dimitri Verhulst.

"zo is een gedicht een plek om zacht / in te wonen"; helemaal anders, want veel meer kwetsbaar en veel voorzichtiger dan Vranken en Vekeman, is de nu hard opkomende Max Temmerman uit Brasschaat (Brasschaat zynde een zeer ryke gemeente benoorden Antwerpen.) Zyn debuut werd terecht genomineerd voor de C. Buddingh'prys, maar dat hy die prys uiteindelyk misliep, is naderhand beschouwd niet integraal wraakroepend; pas in zyn zonet verschenen dérde gedichtenboek, "Huishoudkunde", schynt Temmerman zyn eigen, sensuele, vreemd kabbelende stemgeluid helemààl te hebben gevonden, in regels als deze:"De doden verlaten ons nooit. / Ze schepen in op een lange omvaart / met als bestemming de eindeloze deining." 

Het is jammer dat er in Vlaanderen geen pryzen en zelfs geen subsidies worden uitgereikt aan dichters die alleen maar op het internet publiceren, zoals ikzelf. Google myn nederige naam, Don Vitalski, lees myn veelsoortige poëzie, en stuur meteen daarna uw protestbrieven naar onze federale overheid. Ook zyn er waanzinnig goede dichters die helemaal niét publiceren - wat dàt zen-boeddhistische genre betreft, is het op 13 juli alvast reikhalzen naar de komst van de tragikomische meesterdichter Johan Petit, in zyn fatale onschuld inhoudelyk vergelykbaar met Nescio. "weete wat / ik pak gewoon watdak kan krygen / ik pak het gewoon", schryft Petit zeer dapper. Hy is meer Vlaams dan de anderen en zyn onderwerp is obsessief betrokken op het moeizame overleven in Antwerpen, de volkse grootstad. "en zo / na verloop van tyd / komt die dan terug / terug naar huis / waardat niemand zegt / gy stinkt / waardat alleman zegt / gy / gy zyt van hier".

Een festival behoeft een hoofdact, een magister, en laat dat nu maar mooi, o vrienden van de poëzie, Benno Barnard zyn geworden - aldus: een Amsterdamse Engelander op het Vlààmse dichterspodium. In het Zuid-Antwerpen van de jaren negentig was Barnard nu eenmaal een decennium lang myn graag geziene buurman, gretig deelnemend aan het woelige sociale Vlaamse nachtleven. In zyn zopas verschenen, onnavolgbaar virtuoze dichtbundel "Het trouwservies", zyn tiende of elfde bundel, schynt Barnard meer speels dan ooit;"Ik ben een puber van zestig en myn gemoed (...) slaat vyftien / glazen achterover om een beetje te rymelen / en te zwymelen". Maar dat is een momentopname, in zyn geheel zyn deze gedichten weêr ongemeen ambitieus en gelukkig ook voortreffelyk. Laat ons hopen dat deze Vlaamse poëzieavond, waar de wereld zo naar uitziet, wordt afgesloten met, byvoorbeeld, Barnards huiveringwekkende gedicht "Het rendez-vous"; zo helder als een pseudo-anekdotische Eliot - maar zo toverachtig als een Borges in één.

Het kan niet anders of de Nederlanders zullen ons weten te pruimen. Zeker in de wetenschap dat deze avond muzikaal kracht zal worden bygezet door de Vlaamstalige swingband Veston - een revelatie zonder weêrga; vinnig, kwiek, lollig. Als ik het zelf voor het zeggen had, zouden we zo rap mogelyk terugkeren naar de tyd van Willem I, toen Vlaanderen en Nederland simpelweg één waren. Hoe mooi zou dat zyn, in deze tyden van kunstmatig aangestuurde verdeeldheid.

Geen opmerkingen: