één uur snachts... ik moet dringend, vandaag nog, twee boekjes op de post gaan doen... het moét echt nog gebeuren, het werd al zes keer uitgesteld, en voor morgen lonken er eerst de ardennen en daarna de ondergang van het universum. - - ik sta in myn sandalen in myn pyjama aan de glazen voordeur, klaar om, zo laat nog, vanwege die pyjama-toestand, de auto vlug eventjes te nemen, die op een halve meter van my af staat. evenwel besef ik: dan zal ik toch eerst, alsnog, naar boven moeten, om myn portefeuille te gaan halen; je kàn niet autoryden zonder je paspoort op zak. uiteindelyk gevolg: in plaats van de auto nemen, verkies ik het dan maar, kennelyk, om te voet te gaan. - - dwz: liever die zeven straten in pyjama te voét door de koude tocht - dan eventjes naar die woonkamer op en neêr.
soms ga ik ook liever een uur lang te voet dan dat ik een kwartiertje op de bus moet staan wachten.
inmiddels metaphorisch; in myn leefwereld bestààn geen bussen, noch trams.
met die vreemde prioriteit enigszins verwant: je hebt in een boekhandel vier of vyf sublieme boeken gevonden; je hebt de tyd, je hebt het geld. je wil die boeken grààg hebben. maar dan zie je die kassa, en besef je: vandààg niet dàt ritueel; niet dat 'zich naar die kassa begeven', die onderwerping; en die transactie, die kaart bovenhalen; die plastic zak subiet ook meêdragen. liever leg je die waardevolle boeken dan toch maar terug weg.
op gelykaardige wyze liep ik al dikwyls met een hongerige maag uit een restaurant terug naar buiten - de kaart opendoen, was een té zware opgave.
toen wy nog kinderen waren, hadden wy één bepaalde nonkel die, toentertyd, op een of andere manier te nerveus was om van de simpelste dingen des levens te genieten. hy werd geplaagd door zuivere ongedurigheid. hy was de vleesgeworden ongedurigheid. de integrale familie was aan het rondspelen op het toffe strand, in het zonnetje, midden zomer, bikini's en crêmeglaçe; iedereen was er - behalve die ene nonkel. "misschien gaat hy in de namiddag toch wel komen," zo ging het gezegde. en effectief: rond een uur of drie zag ik hem, vanuit de duinen, ons tafereel komen gadeslaan. na een zwemparty kwam ik weêr terug en vroeg: "waar is nonkel sus?" die was, zo snel weêr, helemaal terug naar huis gereden, in zyn eentje.
hoewel ik die grilligheden als zes- of zevenjarige érgens wel kon plaatsen, vond ik ze toch vooral volledig buitenissig, spookachtig zelfs, en meêlywekkend ook.
intussen ben ik vyftig jaar oud en zit ik (maar dan al dertig jaar lang) in precies datzelfde zadel. ook ik sta, met een dergelyk verwaaid, nutteloos kapsel, op die ene, fatale duinheuvel... meestal...

























2 opmerkingen:
Mooi!
dank!
Een reactie posten