maandag 13 april 2020

ONS FEUILLETON

DE INDRINGER



feuilleton in 20 afleveringen


door don vitalski



wat voorafging: Pjotr Lavaski is in een reiskoffer gekropen. Nog in die koffer zittende, werd 'ie door iéts of door iémand opgetild. Later pas weêr uit deze koffer tevoorschijn komende, leert onze held dat 'ie zich aan de ingang bevindt van wat heet het "Labyrint" van een echte Minotaurus. Maar nu is die Minotaurus er blijkbaar even vandoor?









9.
Een te lange tijd, misschien wel een half etmaal lang, beste lezers, bleef onze avonturenheld, Pjotr Lavaski, staan waar hij stond, soms een beetje hurkend voor wat respijt, nooit werkelijk zittend, gezien het hem ontbrak aan de moed die daarvoor nodig scheen. Op den duur was het, langzaam maar zeker, dag beginnen te worden - ten voordele van een akelig en schril, men zegge anders maar ronduit koortsachtig wit flikkerend vuurlicht, hetwelk je niet eens écht "wit" mocht noemen, doordat "wit" nog te veel, wel opgezocht, een soort van een kléur was; terwijl dit hier, dit was alleen maar, zag Pjotr, dit was hooguit een soort van "licht op zich", zonder kleur, zonder genade, overal dwars doorheen barstend, integraal heilloos, ziekelijk, onherbergzaam.
    Hij stopte met bidden.
    Een paar keer wendde Pjotr Lavaski zich toch een béétje terug naar binnen, dwz terug die diepe, sombere, alles om zich heen verstikkende paardenstallen weêr in, waarvan 'ie anders toch, daarjuist nog, zo enorm dringend, als voor zijn leven zelve, vandaan was gewild. Maar dan, zich ervan vergewissend hoezeer deze erge, misselijke stallen, die het waren, de ingang zouden zijn tot wat zodus, naar hem was gezegd, als een "Labyrint" moest worden aangeduid - direct bij dié gedachte, keerden-'ie meteen weêr, in zeven haasten en spoeden, op zijn bange schreden terug.
    Eén keer was 'ie toch een weinig diéper nog in die afgrijselijke stallen teruggewandeld - maar: toen begreep 'ie meteen:"Dit mag niet - in dit portaal alleen nog maar, zou je al helemaal verloren kunnen lopen, zelfs na een paar eenvoudige passen al!" Dit begreep hij - waarna het hem, in ieder geval, inderdaad reeds helemaal onmogelijk bleek, lezers, om nu zelfs nog maar op dat éne plekje terug te geraken, waar 'ie was wakkergeworden daarstraks. De twee koffers zag hij ook nergens meer. Hij draaide zich om - waar wàs die uitgang, waar 'ie vandaan was gekomen? Hij rénde terug - tenminste, àls dit inderdaad een "terug"-rennen was? Zoveel was niet eens zeker... Met wat tegenslag, zo snapten-'ie, hard schrikkend, met wat tegenslag was 'ie per ongeluk juist bezig, zich nog dieper in die stallen naar binnen te begeven, nog dieper in een richting die naar de gangen zou verderleiden - naar daar, waar al die grote, drukkende, dennenhouteren balken en verstikkende hooistapels d'r onderling wel enigszins verschillend uitzagen, maar dan toch steeds op zo'n manier, dat je die verschillen meteen niet meer kon aanduiden - ze waren, zag 'ie, verschillend in hun details - maar helemaal op mekaâr gelykend in hun geheel.
    Toen 'ie dan toch weêr, hijgend, aan de uitgang kwam, pas vele uren later, was de opluchting maar matig; met name doordat het verontrustend bleef, voor zichzelf dit volgende te moeten toegeven: de verregaande mate waarin dit terugvinden, uiteindelijk, te danken was geweest aan 'n zuiver toeval. Voor hetzelfde geld, zag 'ie in, voor hetzelfde geld was onze avonturenheld, zoals die zich hier nu, buiten adem, terug voor die regenval wist komen te staan, geheel nooit kunnen terug geraken, maar alleen maar nog dieper, nog verder weg beginnen te dolen, nog meer verward zelfs volstrekt binnenin dat dodelijke Labyrint van ze - om er dan nooit meer, ooit nog, terug uit te klimmen, zelfs niet als een lijk aan touwen, zelfs niet naar buiten gedragen op een draagberrie - voor ééns in dat Labyrint, voor altijd in dat Labyrint. Zoveel was Pjotr allang duidelijk.
    Op de nog langere duur scheen er dan toch een zeker eind te willen komen aan althans de àllermeest infernale dosis regenval. Het bleef stevig voort-gieten, maar aan de vreemde, vreemd groen ogende verre overkant, zagen we geleidelijk aan toch, lezers, een soort van lage, ietwat onwerelds dampende, schitterende grasheuvels beginnen op te doemen, als wazige, glooiende tapijten in een dikke mist. Iets dichterbij, aan de linkerkant van onze held, scheen er, in uiterst getormenteerde vormen, een steenoude knotwilg te groeien. Dat zagen we nu pas. De klaarblijkelijke zelfzekerheid van deze walgelijke wan-boom, van stam zo dik, van takken zo triest en zo mager, maakte meteen, in effect, dat onze held er niks meê te maken wilde hebben - maar: zuiver doordat er weinig ànders te bekijken viel, kon hij het niet verhelpen, zich er toch telkens naar terug te wenden, bijzonderlijk naar het gifgroene schors van deze knotwilg. Ook de twee of anders drie zielige, ziekelijk dunne takken, die er de kruin van uitmaakten, moest 'ie blijven en blijven bestuderen - zonder er iéts van te begrijpen.
    Waar was zo'n boom goed voor? Hoe was die hier ooit van zijn leven zo misselijk kunnen beginnen op te schieten - en hoe kon het, dit nog vooral, hoe kon het dat niemand hem wegdeed? Op die rommelmarkt, eêrgisteren of zo; toen Pjotr onderweg was naar het stempellokaal; daar groeiden er toen ook, aan weêrzijden van het plein, een naargeestige soort van knotwilgen; maar: dit hier, bij dit portaal, dit was toch iets helemaal anders, dit was geen normale knotwilg meer. Deze knotwilg was een stervend wezen, een krijsend stervend iemand, in bochten, in korsten... Dit was zo érg - "Ik kan," sprak Pjotr, "Ik kàn deze stomme boom die daar staat gewoonweg niet ààn,"- dit ging, op één of andere, spijtig genoeg onzegbare wijze, té ver...
    Totdat, als eindelijk, die griezelige Minotaurus ook weêr voor hem opdook - in het gezelschap van een figuur dat er zeer angstig uitzag, maar dat vooral, zag Pjotr, getekend werd door het gegeven dat 'ie, welbeschouwd, wel het lichaam had van een lange, beweeglijke, graatmagere mens, in een kletsnatte tuinbroek gestoken, maar dat die figuur bovenop zijn lijf, bovendien, de bezitter was van de meest onbevattelyk lelijke hoofding die we ooit zagen; de kop was het, lezers, van een echte, bevende, maar hardop sprekende Giraffe, niks minder.

WORDT VERVOLGD

Geen opmerkingen: