zondag 12 april 2020

ONS FEUILLETON

DE INDRINGER



feuilleton in 20 afleveringen


door don vitalski





wat voorafging: Pjotr Lavaski is in een reiskoffer gekropen. Wanneer 'ie daar weêr uit komt, bevindt 'ie zich in een vreselijk onwelriekende paardenstal. Dan loopt 'ie daar een Minotaurus tegen het lijf...








8.
Zo bondig als het hem gegeven was, legde Pjotr Lavaski aan de Minotaurus uit, wat er met hem gebeurd was. Hij was in een reiskoffer gekropen, op een moment toen hij zich niet zover van de Schelde-rivier bevond, op het uiteinde van het Schipperskwartier. Iemand,- maar wié dan wel?-, was er toen vervolgens toe overgegaan, die reiskoffer helemaal weg te dragen - met hem, dwz met Pjotr zelf, er nog helemaal in. Veel later was hij er weêr uit gekropen: om te bemerken, legden-'ie uit, dat 'ie was aangeland in deze stal - dewelken-'ie totaal, maar dan ook totaal niet begreep! Aan dit alles durfde Pjotr nog toe te voegen:"Ik zou hier snel weg moeten, ik ... ik kan hier niet zo goed ademen."
    De Minotaurus deed er wel eventjes over, lezers, om dit relaas zoals het verliep, naar behoren tot zich te laten doordringen. Maar meteen daarop, eens het gefilterd was, kwam hij toch wel met een plan. Zo gezwind alreeds, toch feitelyk. "Het beste," zo sprak 'ie, "Het beste dat we kunnen doen, is zorgen, denk ik, dat je zo rap als maar kan, bij het Slangenmens terechtkomt. Die helpt je dan wel verder. Het Slangenmens, die moet jij hebben. Het vervelenden-is echter,"- hij keek eventjes rond zich, knarsetandend. "Je mag dit niet rondbazuinen, wat ik je brom. Niet zomaar meteen! Maar... Daarbuiten, in het Circus, loop ik eigenlijk de gehele tijd verloren... Deze paardenstallen hierbinnen, die zijn het portaal naar mijn persoonlijke Labyrint... En in dat Labyrint  - natuurlyk, dààr ken ik de weg uitzonderlijk goéd, als àllerenige Bulderdranger ooit, zelfs als de allerenige Minotaurus ooit... Maar: in het Circus zelf loop ik soms op een draaischijf, zo lijkt het..." Hij sprak nog voort:"We moeten op goed geluk bij iemand daarginder gaan aankloppen - om aan dié persoon dan weêr de vraag voor te leggen, of 'ie ons de weg zou willen wijzen - naar het Slangenmens. Of anders naar de Directeur. Of anders naar het Secretariaat - dat zoeken we dan wel uit!"
    Wekte de Minotaurus hiermeê, goeddeels, de indruk alsof ze tezamen op stap zouden gaan? Ja, dat zeker; tot Pjotr zijn grote schrik, maar tot zijn betrekkelijke opluchting tegelijk - want hier alléén zijn was ook niks. Maar: nadat ze wél tezamen, moeilijk stappend, langs hooibalen kruipend, tot aan de verre uitgang van dit zogenaamde "portaal" waren gekomen, bleken zijn plannen toch heel anders...
    Een waanzinnige buitenlucht woei onze held tegemoet, hard stormend, extreem hard druisend - kortom: bijna regelrecht als stonden ze tezamen vlak voor een onbevattelijke, buitenheems grootse waterval. Ook hier weêr zo'n spel van zich vertakkende vreemde geuren, aroma's, bedwelmende dampen en odeurs; geen enkele van die luchten liet zich nmogelijkerwijs zomaar thuisbrengen - de geuren van water op gras, waren dit, maar veel meer indringend, byna supra-natuurlijk, naar Pjotr z'n oordeel.
    Om 'n reden die 'ie zelf niet doorgrondde, geraakten-'ie uitgerekend op dit moment zijn buurvrouw thuis, de mooie Elise plotseling indachtig; en dan dacht 'ie (waarom?) dit volgende:"Ik wou dat Elise mij nu kon zien!!..."
    Terwijl ze daar stonden, zonder nog vooruit te kunnen, overviel onze held een bijna onstuitbaar verlangen om scherper voor zich uit te kunnen kijken; om zomaar ineens, in die waterwolken, toch iéts te kunnen zien; eender wat, maar in alle geval iéts dat, beste lezers, méér zou zyn geweest dan alleen maar deze ene, ondoordringbare, na-midder-nachtelijke, aardeduistere regenval, die alles dat bestond, overdekten-als met een gordijn. Waar stonden ze preciés? Wat bevond zich dààrzo, vlak voor ze? Hij mocht echter, zo snapten-'ie, geen enkele vraag beginnen te stellen. Hij moest alles laten gebeuren dat er moést gebeuren - zoals Elise hem dit inderdaad wel eens had gezegd, in één van hun discussies. "Kome wat komt," zo had zij dit Pjotr ooit, 'n paar keer op één avond, gezegd...
    "Je moet bidden tot God," zei de Minotaurus. "En het best bid je dan tot Jahwe. Met Jahwe die over ons waakt - zal alles weêr goed komen, met jou!"
    "Blijf hier wachten!" sprak 'ie daarna - en hij snelde, plotsklaps, met heftige gebaren, de woeste, stuitende regenval in. Om daarin meteen te verdwijnen. Met zijn enorm brede twee hoorns, zijn massieve, beschaamhaarde ruggenwervels, zijn stinkende gerafelde jeansbroek en zijn zwarte kromme staart.
     Zo bleef onze held, Pjotr Lavaski dus, alleengelaten achter...
    Op eigen houtje de boel verkennen, zoveel was uiteraard, in eender opzicht, onhaalbaar. Vanwege dat noodweêr, maar ook doordat hij gewoon niet begreep wat hier helemaal gaande was; wààr was hij aanbeland, en waarom?
    Terug naar binnen gaan, die verstikkende hooi- en strontbergen weêr in? Evenzeer uit den boze!
    Er zat weinig anders voor hem op, lezers, hier nu alles zo 'ns byeen, er zat weinig anders voor 'm op dan te blyven staan waar 'ie nu stond - aan de rand van deze gigantische buitenpoort van beschimmelde balken, in de ijzige regentocht, zo geduldig als haalbaar effectief tot die Jahwe van ze biddend om uiteindelijke verlossing. 

WORDT VERVOLGD

     

Geen opmerkingen: