vrijdag 5 november 2021

gast-auteur

PORTRET VAN DE AARDBEIENPLUKSTER
ALS EEN JONGE VROUW
door Robertus Baeken, vanuit de aardbeienvelden




108.

Langs het tuinpad kwam zij Va tegen. Hij zette de hark tegen het muurtje en liep haar voorbij, met een vermoeide, ingekeerde oogopslag waarin onpeilbaar verdriet te lezen stond. Het was Mieke opgevallen dat hij zijn beste kleren droeg. Zij begreep dat het een bijzondere dag was en dat hij andere dingen te doen had dan harken: condoleances aanvaarden of met de pastoor of begrafenisondernemer praten; allemaal vreselijk nare dingen. Niets was mooier, niets gaf meer troost, of was vanzelfsprekender dan zich met al je kommer in de serre af te zonderen, zich door de knieën te buigen tussen de rijen gewassen en, met de adel en natuurlijke eenvoud die in alle handenarbeid schuilt, de tere plantjes te verzorgen. Hier lag iets in dat Mieke als de schone roeping van haar vader beschouwde. Zij zag de rode kringen rond zijn ogen, en besefte waarom hij op een dag als deze eveneens zijn toevlucht tot de serre had gezocht. Zolang zij hier bleef, hoefde ze zich aan niemand te vertonen, hoefde zij door een gesprek de stilte in haar geen geweld aan te doen, hoefde zij niet, zoals daarstraks in tegenwoordigheid van Niessen, haar emoties naar buiten te dragen. In deze teruggetrokkenheid ontdekte zij een eigenschap van Va. Het idee vertederde haar en maakte haar ervan bewust hoe sterk het lot hen met elkaar verbond.

   De hele dag was Mieke in de serre gebleven. Maar ook de anderen waren uit hun gewone doen. Door het komen en gaan van de bezoekers, had het huis meer van een ongezellige, tochtige zaal met beslijkte vloer. En geen enkel hoekje waar men zich niet verloren voelde. Overal sijpelde de aanwezigheid van de dode door de plafonds en langs de muren, alsof de draagwijdte van de ramp nog niet volledig was doorgedrongen en iedereen nog erger vreesde.

   ’s Nachts stond het vensterraam op een kier. Af en toe hoorde zij een voorbijrijdende auto. Soms weerklonk een niet thuis te brengen klap: een dichtslaande deur, het breken van een tak, of iemand die struikelde. Tegen deze weinige geluiden leek de stilte zo ijl dat je, als je goed luisterde, het gezoem van sterren en planeten kon horen. Met angst was Mieke zich bewust van de aangrenzende kamer waar het lijkje lag. Het werd moeilijk bij haar voorstelling ervan nog aan Berthe te denken. Het was een lijf in ontbinding, weldra enkel een hoopje beenderen. Maar het was ook niets minder. Vandaar haar vrees dat het, gewekt door magische krachten, in de nacht door het huis zou dwalen om de levenden met een door merg en been dringende gil de stuipen op het lijf te jagen. Mieke kroop bij Anke in bed. Haar armen rond de schouders van haar zus, dat voelde geruststellend aan; of zij midden de oceaan van vernietiging een veilige oever vol zachtheid en warmte had gevonden.


WORDT VERVOLGD...

Geen opmerkingen: