maandag 6 december 2021

gast-auteur


PORTRET VAN DE AARDBEIENPLUKSTER -
NABESCHOUWINGEN

door Robertus Baeken, vanuit de aardbeienvelden



Merkwaardig hoe ik op mijn zestiende, op een technische school, tijdens een les Nederlands, ‘verklarend lezen’, kennismaakte met Beatrijs en andere middeleeuwse teksten. Er ontvlamde iets in mij, een onstilbare dorst naar het mooie, het waarachtige, het troostende dat van literatuur kan uitgaan. Van de ene op de andere dag  wisselde ik mijn strips voor romans in, bijvoorbeeld voor Dostojevski’s ‘De gebroeders Karamazov.’ Het hield niet meer op. In de plaatselijke boekhandel werd ik een graag geziene klant, voor alle klassiekers; ‘Rood en zwart’ van Stendhal, de romans van Tolstoï, Saroyan, Steinbeck. En van eigen bodem Felix Timmermans, Willem Elschot, Cyriel Buysse.

    Een tweede openbaring greep plaats toen ik op mijn achttiende, in een vertaling uit 1961, ‘Black Spring’ van Henry Miller ontdekte; een bundel deels surrealistische teksten, geschreven in de jaren 30. Vooral het verhaal ‘De kleermakerij’ schudde mij door elkaar. Dat iets dat zo verschrikkelijk rauw en schaamteloos eerlijk was, tegelijk ook mooi, diep menselijk en ontroerend kon zijn, had ik nooit voor mogelijk gehouden. Een bekentenissenliteratuur die zich, zo leek het, totaal niks van vorm aantrok. Je hoefde om romans te schrijven dus toch niet hoogopgeleid te zijn, Miller was een simpele straatjongen uit Brooklyn. Als hij het kon, waarom dan niet ik? Het was of ik ontwaakte uit een droom.
    Maar Miller was een zeer sterke persoonlijkheid, zodat het me vele jaren gekost heeft om van zijn invloed weer af te komen.

    In zijn jeugd was Miller trouwens ook zelf een fervent bewonderaar van Dostojevski’s tragedies. Tot hij op een dag inzag dat dit literaire beeld niet met de werkelijkheid strookte; de menselijke ziel leek hem ineens te klein voor dergelijke grootse tragedies. Zodat dit inzicht zelf voor hem de énige tragedie werd. En een dergelijke aardverschuiving overkwam ook mij. Hoewel ik Millers wereld herkende en zijn proza fel bewonderde, opereerde ik als plattelandsjongen en brave zoon van een hardwerkende weduwe vanuit een heel andere achtergrond. Dus moest ik op zoek naar mijn éigen stem.

    Een verhaal moet er, vind ik, even rond uitzien als een biljartbal. Dit kom je niet zo vaak tegen. Maar je vind het wel, bijvoorbeeld, in Mishima’s roman ‘Een zeeman door de zee verstoten’ (1963), of Tanizaki’s ‘Dagboek van een oude dwaas’ (1961). Ook in de korte roman  ‘Agostino’ van Moravia (1945), of ‘Brandende liefde’ Jan Wolkers (1981).

1 opmerking:

LiesRE zei

Interessant hoe je zo vroeg de microbe te pakken kreeg!