maandag 5 september 2016

proza-gedicht














TWINTIG ZESTIG

anja zette my af
aan het kruispunt van de singel
met
de grote steenweg.

waar m'n voettocht begon

in smal schoeisel,

niet zonder eerst ook

een saluutschot
van

haar twee door luizen getergde kinderen

op de achterbank.

het was een zondag,

dus hier of daar zag ik een jood,

en achter hem de onmetelyk diepe putten

van een bouwwerf,

de slapende bulldozers

in klamme modder.

en

hier of daar ook
een coiffeur die nog open is...

de buurt waar ik woon,

begint in zwerfvuil,

waar een kaalgeschoren jongen van zestien

tegen de huisgevel
van een bewoond krot
staat te zeiken

terwyl zyn pools aandoende, halfnaakte moeder

hem staat uit te kafferen
in een yzingwekkende on-taal.

de buurt waar ik woon,

begint by de kapotgeslagen vitrines
van een winkel voor sport-weddenschappen
en tele-kaarten.

zelfs die nachtwinkels

waar afrikaanse vrouwen
hun pruiken kopen,

zyn voor deze buurt

al van een té hoog niveau.

myn buurt begint

waar sommige marokkanen en/of albanezen
by iédere bocht die ze maken,
hun banden laten piepen
en krysen en schuren

en die zelfs optrekken

wanneer ze een pààr meters voor zich
het licht op rood hebben.

die
claxoneren om niks.

waar roetfilterloze stadsduiven
maar één poot hebben,

uitgeteerd op zoek
naar dé finale mesthoop
om in te creperen;

daar
is de buurt
waar ik thuiskom.








Er is een fout opgetreden in dit gadget