GARD SIVIK
Zeker in vorige eeuwen gingen literatuur en kroegleven vanzelfsprekend hand in hand. Schrijvers en denkers vonden hun toon, hun publiek en hun polemiek niet minder aan de toog dan in hun enthousiast gestencilde pamfletten, posters en magazines. ‘Gard Sivik’ is daar een volmaakt voorbeeld van: de naam duidt op het roemruchte café aan de Antwerpse Stadswaag, huisnummer 1a, maar net zo lief op het literaire tijdschrift dat daar, in 1955, geheel spontaan tot stand kwam, gedragen door poëtisch vaardige drinkbroeders als Paul Snoek (1933-1981), Hugues C. Pernath (1931-1975) en Gust Gils (1924-2002). Het magazine wedijverde met zijn nauwe voorganger Tijd en Mens, maar scheen nog heftiger doordrenkt door de hete adem van het existentialisme, met een nog meer radicale drang naar vernieuwing - net zoals het café losbandig was, bedwelmend en muzikaal: jazz, rook en drank, discussie, poëzie en dronkenschap vloeiden er vrolijk samen, als een Antwerps toonbeeld van literatuur en nachtleven in één.
De drijvende kracht achter dit café was, althans gedurende zijn eerste vier, meest legendarische jaren, een echtpaar dat in onze cultuurverslagen dreigt te worden onderbelicht: Herman Denkens (1926-2001) en Rhea Van der Vloet (1932). Gelukkig wordt er over die beide bonte vogels wél een en ander bijgehouden in de magische, meerlagige verzamelingen van het Letterenhuis.
DENKENS
Denkens, zo leren we uit diverse, fataal vergeelde old school krantenartikels, werd geboren in Deurne in 1926. Hij studeerde grafiek aan het Ter Kameren instituut in Elsene, waar hij les kreeg van onder anderen Joris Minne (1897-1988) In zijn jonge jaren maakte Denkens cartoons voor het niet onbedenkelijke magazine De Rommelpot. Hij had een lerarendiploma, maar lesgeven was hem te bourgeois. Zijn leven lang bleef hij schilderen en beeldhouwen, maar aldoor was hij tegelijk een café-uitbater en organisator van feesten en tentoonstellingen.
Zijn eerste café was, in de Lange Brilstraat, ‘De Stal’- effectief een gewezen stal, waar de bakken bier gewoon bij de klanten op tafel werden gezet, met een flesopener voor eigen gebruik erbij. Kort daarna, in 1955, deed hij de Gard Sivik open. Eerder diende dit pand als een magazijn voor matrassen. Er was een gelijkvloerse verdieping en een bovenverdieping. De echte club, waar ook sterke drank werd verzet, was boven. Om daar binnen te mogen, moest je lid worden - met de opbrengsten daarvan was het, dat het magazine kon worden bekostigd.
Een wat aandoenlijk, dun gekartonneerde inschrijfformulier voor aspirant abonnées (75 frank voor vier nummers per jaar) laat zien, dat het redactiesecretariaat, alle drank en anarchie ten spijt, toch wél zijn ijverige best deed om die zaakjes in goede banen te leiden. ‘GARD SIVIK is Uw belangstelling ten volle waard, want het heeft met twee rumoerige Vlaamse jaren duidelijk bewezen, dat het levensvatbaar is. (…) U kunt op eenvoudige wijze een gratis abonnement op Gard Sivik verkrijgen. Daartoe behoeft U slechts vijf van Uw kennissen voor Gard Sivik te winnen. Voor ieder door U aangebracht abonnement trekken wij nl. 20% van Uw abonnementsgeld af.”
Diezelfde levendige speelsheid ook vanuit het café zelf, zoals na te zien op een erg naïef getekend affiche, voor een event op maandag 17 maart 1958: ‘Maandag 17 maart 1958 viert Gard-Sivik Halfvasten. De avond staat in het teken van het meest originele hoofddeksel. Prijzen worden voorzien en plezier maken we zelf.’
Op een dag kwam Denkens op het idee om in zijn café een zogenaamde een uitvinderssalon in het leven te roepen. Iedereen bedacht waanzinnige constructies, het toppunt was een blaasuit, een omslachtig toestel dat kaarsen kon uitblazen. Een andere keer was er een tentoonstelling georganiseerd, en was het in een zekere caféklant genaamd Ivo Traibaut opgekomen, dit event te gaan bezoeken maar dan verkleed als Salvador Dali, voor de gelegenheid gezeten in een open Cadillac. Zelfs de politie liep erin, en bezorgde de man een persoonlijke begeleiding van het station tot aan toog. Paul Van Hoeydonck (1925-2025), Simon Vinkenoog (1928-2009) en Wannes Van de Velde zaten er een kriek te drinken (het café schijnt vooral gespecialiseerd te zijn geweest in soorten kriek.)
Gedurende zijn jaren in de Gard Sivik was Denkens getrouwd met de charismatische, vinnige dame Rhea Van der Vloet. Van haar is ern onlangs nog maar, een zekere schatkist in het Letterenhuis aangekomen, bestaande uit drie enorme dozen vol dagboeken en manuscripten, brieven, foto’s en wat dies meer zij, alles bijeen een slordige 6 000 bladzijden, klaar om dringend verder te worden uitgesorteerd.
Kroonstuk binnen die opwindende snuisterijen van Van der Vloet, is een zeker curriculum, duidelijk bedoeld als een springplank tot, ooit nog uit te werken, een waarachtige autobiografie. Dit negental met zéér kleine lettertjes vol getypte pagina’s, doet de lezer naar méér verlangen: meer samenhang, meer duiding, meer nadere uitleg - al zeker bij een losstaande zin als, pakweg, ‘De zwemclub en de moordpoging op mij.’ Maar in feite is het juist deze totaal onbezonnen parlando-stijl in staccato, die zo bezwerend is, tegelijkertijd aangrijpend en ongemeen sensueel en guitig. Lees over mijn schouder mee, setting het Antwerpen van tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog;
‘De Hollandse mevrouw op de hoek in de moderne appartementen.
Paula van de winkel.
Julia en haar dochtertje en haar nichtje Irène die later ook een nichtje van Herman bleek te zijn.’
Alsook:
‘Het vakantiehuis te Schoten van de GB en de opvoering met Albert, waarmee ik later nog eens heb gevreën. Mijn tweede kus. Mijn tweede colère.
Mijn eerste kus op het rotsebruggetje. Roger heette die kleine gast.
Mijn eerste colère.’
Ook in deze bondige, spontane kroniek komt het caféleven aldoor om de hoek kijken, steeds levendig en volks. Zo ook bijvoorbeeld het café van haar familie in Wilrijk, waar een kappersstoel stond, want ‘de man scheerde en kapte de klanten in zijn café. Er stond een biljard, waar de mannen zich in alle bochten rond en over wrongen (…) Aan de muur (…) hing een bruin geval met gleufjes waarin de mensen spaarden voor het jaarlijkse mosselfeest.’
Toch was Van der Vloet, alles bijeen, absoluut geen kroegtijgerin in hart en nieren. Wanneer haar vader zijn werk in de familiekroeg inwisselt voor een job als kleermaker, slaakt ze een zucht van verlichting. ‘Geen cafés meer. Joepie! (…) Ik haatte cafés en al wat ermee te maken had!’
Haar bestaan in de Gard Sivik was dan ook, behalve één legendarisch feest, dat vier jaar voortduurde, een beproeving. Zeker van zodra zij zwanger wordt van een eerste kind. Ze wil haar bezigheden in die rokerige, wilde jungle liever opgeven - maar haar partner laat dit niet toe. Het komt tot een handgemeen. Dus toen al had ze moeten weten, zo schrijft ze, nog steeds zo beknopt, dat haar huwelijk met Herman geen stand zou kunnen houden.
Moge de libertijnse geest van Gard Sivik zelf mij de permissie erkennen, uit Van der Vloet curriculum vitae deze smeuïge frasen te citeren, waarvan die hele, goddelijke leestekst doordesemd is: ‘De omgekeerde luster. Franky die haar zoom lostrok voor een fait-amusé te hebben om bij boma D. binnen te komen voor de Herman natuurlijk. Rilke: ga je mee naar Denemarken? De Keizerstraat. Twee andere Hollandse grieten waar Herman mee in de keef kroop (ik wist er niets van) maar ik kreeg wel een boekje van Reiner Maria Rilde als dankbetuiging!'
Het café is nog steeds een ongemeen succes wanneer Denkens en Van der Vloet, juist vanwege hun falende huwelijk, niet anders meer kunnen dan er de brui aan geven. In een fataal moment doet Denkens de Gard Sivik van de hand - aan niemand minder dan Ferre Grignard (1939-1982)- voor niet meer dan één Belgische frank. De zakelijk natuurlijk totààl hopeloze Grignard gaf het geschenk algauw door aan de jazz-legende in wording Mike Zinzen (1932-2013).
Denkens geraakte nà de Sivik vooral strak verbonden met het café chantant Sint Mathijs in de Pelgrimstraat, waarvan eveneens een paar zeer fijne affiches in het Letterenhuis. Ook op de zolders van het Hessenhuis en in café Den Billenkletser groeide er na Denkens’ tussenkomsten vaak geen gras meer. Op den duur is Denkens, zoals wel meer Antwerpenaren van zijn generatie, voor wat ademruimte naar de Ardennen verhuisd, met name naar Durbuy, waar hij een tijdlang een jeugdherberg onderhield.
1300
Wat komt = 500
Ook Van der Vloet zocht andere oorden, andere modi vivendi. Ja, wel bleef zij nog een leven lang de literaire odia bestijgen van alle mogelijke Antwerpse kroegen waarmee zij, kennelijk, in een haat-liefde-verhouding verkeerde; Den Beulenbak op de St Nicolaasplaats, Den Hopsack in de Pieter Potstraat, mijn eigenste Dinsdagclub in de kelders van boekhandel De Groene Waterman in de Wolstraat. Graag las zij daar erotisch getinte haiku’s voor - enkele honderden daarvan, en vele van een hoge kwaliteit, kan je terugvinden in haar dozen in het Letterenhuis.
Haar oprechte, artistieke aspiraties reikten echter vele mijlen verder dan die van een caféschuimer, en dié dimensie van haar, is eigenlijk toch al te zeer onderbelicht gebleven. Twee derden van al haar stukken in het Letterenhuis, gaan dààrover. Talloze kortverhalen en zeer korte verhalen, roman-aanzetten en geheel uitgewerkte romans. En dus ook, obligaat, de vergeefse brieven aan uitgevers - in de jaren 80 aan Kritak en In de Knipscheer, in de jaren 10 aan Uitgeverij Vrijdag en Polis - al dan niet mét aanbevelingen van haar schrijvende vriend Fernand Auwera (1929-2015)…
De aanhouder wint. In 2005, op 73-jarige leeftijd, debuteerde Van der Vloet als romancier, bijzonderlijk met het lijvige boek ‘De Oorlog van Inez’, een veredeld autobiografische roman, verschenen bij Deltas, gauw herdrukt, en in de pers met voldoende eerbied ontvangen. Een volgend boek, ‘Dzing’, over een van de eerste Chinezen in Antwerpen, is kennelijk, spijts talloze schetsen en meer uitgewerkte alinea’s, tot aan het einde in de steigers gebleven.
nog even kijk je
dan stap je weg met je gitaar
Ik snik
Zo gaat een van die vele haiku’s van Van der Vloet. Ongetwijfeld een portret van de man met wie ze trouwde nà haar scheiding van Denkens, de uit het Antwerpse straatbeeld niet weg te branden busker, gitarist en vooral erg virtuoze banjospeler Fola Yip. In het archief een uiterst schattige foto van die man als een zéér klein jongetje in cowboypak.
Het vanzelfsprekende van deze nieuwe relatie ook in haar curriculum-in-staccato. Ze leert hem kennen in een café - waar anders. Zijn tattoos, zijn gebrilliantineerde kapsel en zijn ogenschijnlijke machoïsme staan haar tegen - maar een paar alinea’s verder krijgen we te lezen: ‘Tjip blijft hoe langer hoe meer bij mij plakken. Dinsdag en donderdag repeteert hij en blijft ofwel bij Tom ofwel bij zijn ouders slapen. Dan blijft hij bij mij wonen.’
Met hem verhuisde Rhea naar rustiger oorden, een in de bossen zelfs moeilijk te vinden landhuis in Wildert bij Essen. Niet dat haar bestaan daar kalmeert. Tot aan haar laatste snik bleef zij verre, anti-luxueuze reizen over de hele wereld maken, vaak ook in functie van de door haarzelf opgerichte vereniging ter bescherming van Braziliaanse straatkinderen.
1800

























Geen opmerkingen:
Een reactie posten