Blij en opgewonden had Mieke haar vertrek tegemoet gezien. Maar toen het ogenblik van afscheid gekomen was, had zij de grootste moeite om haar in de loop van de morgen opgehoopte emoties niet als een bakvisje uit te huilen. Het had haar al getroffen dat Toebakske als eerste was opgestaan, zodat ze niet zelf de kachel hoefde aan te steken. En hoe de ontroering beschrijven bij de aanblik van de pan met roerei onder het licht van twee kaarsen op de ontbijttafel.
Buiten regende het pijpenstelen. Terwijl Mieke haar laarsjes aantrok, ging Toebakske de ezel voorspannen, daar de paden volgens hem, mede door de smeltende sneeuw, zeer drassig geworden waren. ‘De aalmoezenier heeft me uitgenodigd,’ zei hij, vóór ze de kans zag zijn hulp weg te wuiven.
Toebakske beschikte over een primitief karretje. Hij had zijn enige plu voor haar geopend en op haar zitplaats lag een deken. Zo bleven haar kleren vrij van slijkspatten, wat haar niet belette de harde bulten in de weg pijnlijk aan haar zitvlak gewaar te worden. ‘Wat ga je doen?’ onderbrak hij een van haar zuchten.
‘Eerst haal ik mijn valies op. Daarna neem ik de trein. Ik hoop dat Francis thuis is!’
‘Hier!’ De ouwe haalde een met elastiekjes bijeengehouden bundeltje uit zijn broekzak en griste er twee bankjes uit.
Mieke stond erop om één ervan weer te geven, maar de ouwe had zijn geld al weg. ‘In elk geval krijg je ‘t van me terug!’
Bij het laatste dennenbosje stapte ze uit. Tijdens de aanraking van haar lippen tegen Toebakskes stoppelige wang, sloeg een vonk van genegenheid over. Om opkomende tranen voor te zijn, wilde ze snel weglopen, maar precies op dat moment aaide een houterige hand haar boezem. ‘Het is nog niet te laat!’
‘Ik zal je schrijven!’ Mieke liep dan al omheen diepe plassen naar een hoger plekje waar de bestrating begon.
Niet ongelukkig of bedroefd, maar zachtjes meehuilend met het troosteloos gesijpel tijdens de busrit, bereikte ze Francis’ flat. Zijn stem klonk door de parlofoon. In plaats van de toegangsdeur automatisch te openen, kwam hij zelf naar beneden. Hij was nog maar pas opgestaan. Zijn haren waren ongekamd en hij keek versuft uit de ogen. ‘Waar kom jij vandaan?’
‘Weet je wel! ‘k Heb gedaan wat je hebt gevraagd,’ loog Mieke hem recht in ‘t gezicht. ‘Ik heb ons kind laten wegdoen!’
‘Ha zo?’
‘Ha zo?’ herhaalde ze grimmig. ‘Mijn valies!’
‘O ja, wacht… Ik haal het voor je!’
Mieke zag hem in de lift stappen en met een blik in haar richting de traliehekken dichtschuiven. Terwijl de kooi opsteeg, kwam het in haar op dat hij redenen had om haar niet binnen te laten; voor haar juist een reden om na zijn verdwijning de trap op te stormen. Op de overloop hoorde ze hem met gejaagde stem: ‘In ’s hemelsnaam, gauw naar de badkamer!’
WORDT VERVOLGD...


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten