tot myn dertigste ben ik, inderdaad, met zo ongelooflyk veel totaal nutteloze maar ook vermoeiende bullshit bezig geweest, dat ik voor onnut een soort immuniteit heb ontwikkeld.
toen ik een twintiger was, had ik een regelrecht psychotisch gebrek aan alertheid wanneer het erop aankwam, toenaderingen af te blokken van mensen die iets van my gedaan wilden krygen waar ikzelf feitelyk helemaal geen zin in had. zo kwam het dat ik niet echt leefde, maar wel goeddeels geleefd wérd - zonder overdryven. op een ogenblik liet ik my op sleeptouw worden genomen door een luguber ogende ex-gedetineerde, die zich aan my voorstelde als een beeldhouwer, en die persé wilde dat ik voor hem zou poseren. heel raar als ik daar vandaag aan terugdenk: dat ik daar toén, dus, op geen enkele manier neen kon tegen zeggen (vervolg: volgende alinea.)
ik had geen rybewys, en de krankzinnige kerel in kwestie was woonachtig in de gemeente schiplaken (echt waar); dat betekende dat ik, eenmaal hy me was komen oppikken by me thuis, om my vervolgens integraal naar zyn atelier te ryden (dwz zyn garage), dat ik daar toen op geen enkele manier meer wegkon ook niet.
hy had, zo zag ik, een soort machine, een hoge-druk-machine, waarmeê je polyester meê kon sproeien. de bedoeling bestond eruit dat ik, in een bepaalde houding, in het midden van zyn garage ging staan, terwyl die man helemaal met die polyester overspoot, welk ding fenomenaal zwaar begon door te wegen terwyl het verhardde, en dat krankzinnig hard naar je adem pakte. algauw, neen: langzaamaan, werd dit materiaal steenhard. ik kon my niet meer bewegen. op een of andere manier moest ik er iets op verzinnen, acuut geen volstrekte paniekaanval te moeten beleven. vermoedelyk was die gast, die ik van haar noch pluim kende, een serial killer. wie zou my hier, te schiplaken, in deze afgelegen nep-garage weten terug te vinden? gekilld onder dit yzer?
nu goed, dàt viel dus wel meê. na alles, werd ik, pas rond twee uur snachts, netjes weêr by myn eigen thuis afgeleverd - maar ik leefde nog, en die man was nog eens tevreden met het resultaat ook.
dat die ervaring akelig en bloedstollend was, is maar een bykomstigheid. meer essentieel is het gegeven dat die oneindige namiddag daar by die rare snuiter in dat verre dorp, waar ik totààl niks verloren was, in myn bewustzyn zowat tot hét symbool is geworden van, alles byeen, àlle tyd die ik zo totààl hopeloos, in myn jeugd, aan het verkwanselen, aan het het versmossen en verspillen ben geweest.
heden put ik daar vaak kracht uit. van myn voornemen van vandaag, van vanmorgen, om tussen de bedryven door, in de loop van de lange dag, goed hard door te werken op myn kerstnovelle, is niks in huis gekomen; de klassenraadvergaderingen op school duurden van halfnegen smorgens tot halfvyf snamiddags, en tussendoor kon je niks aanvatten, doordat je steeds stand-by moest wezen, nooit kunnende raden wanneer juist jouw volgende klas aan de beurt zou komen. maar zelfs tydens de meest slopende evaluatie-besprekingen, om halfvier in de namiddag by de slappe koffi, kan ik àltyd naar waarheid bedenken: "qua tydverlies is dit nog altyd helemaal niks - vergeleken by die ondag in die garagebox in schiplaken. terwyl: toén was ik vry. toén had ik, in principe, altyd maar kunnen doen waar ik toevallig goesting in zou hebben gehad."


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten