110.
Niessen zat ook in de dichte rijen. Op weg naar haar bidplaats, was zijn ernstig gezicht met dun snorretje en strakke blik haar tussen de menigte opgevallen. Waarschijnlijk vroeg hij zich af of ze werkelijk bekeerd was, ofwel dat zij, zoals ze hem vroeger eens in een openhartige bui had toegegeven, komedie speelde. Het liet haar koud wat hij dacht. Zij deed dit uitsluitend voor haar ouders, om hen na deze onmenselijke klap niet nog méér verdriet te bezorgen.
Weer bij haar stoel, gingen haar gedachten naar Toebakskes eenvoudige uitleg. ‘Misschien bestaat God, misschien ook niet. Maar waarom ons daarover het hoofd breken?’ Of wellicht had zij haar inzichten toch wel aan Francis te danken? ‘De mens is als een hond die zijn kunstjes verkoopt!’ Goed, maar als Mieke zich zijn gezicht voor de geest riep: de woede en de wanhoop waarmee hij haar zijn waarheden in het oor had gebruld, wist ze dat hij het mis had. Want het leven is niet niks. Vanuit een onbekende diepte, en met een onuitroeibare drang tot zelfbehoud, overheerste dit keer de stem van de aardbeienplukster: ‘Ik kan dit heden niet ontkennen. Wat om mij heen gebeurt, valt zoals het licht door de glas-in-loodramen. Ik oordeel niet, verklaar niet, hoop niet… Ik kan mezelf niet doorgronden… In mij raast beroering tegen een achtergrond van stilte…’
Tot slot ging de priester over tot het zegenen. Met een in water gedrenkte kwast besprenkelde hij eerst de doodskist, vervolgens de dichtstbijzijnde parochianen. Het orgel begon zachtjes te spelen. De aanwezigen stonden op en begaven zich zonder dringen naar de uitgang.
Van de kerk naar de begraafplaats liep een pad van eeuwigdurende minuten. Naast Moe, die de afstand als een tocht naar Golgotha onderging, - haar gebogen hoofd verborgen achter een zwarte voile, - voelde Mieke zich op wonderlijke, naar menselijke maatstaven ongeoorloofde wijze onaangedaan. Het was een prachtige morgen. Tussen het gras langs het verharde zandpad schitterden dauwdruppels. Het land lag er kaal en bladerloos bij, maar alles baadde in het zonlicht, en over de aarde streek de onweerstaanbare geur van de lente. In haar ontwaakte de wilde lust om uit de rangen te breken. Zij begreep het uit de kiem groeien en knoppen krijgen van planten, het zich uit de aarde wroeten van insecten en knaagdieren, de dartelheid van het vee als het op een dag als deze uit de stallen werd gehaald. Hoewel tranen beter zouden hebben gepast, maakte een redeloze vreugde zich van haar meester. Zij leefde en kon zich onmogelijk voorstellen ooit daarmee op te houden. Zolang ze leefde, zouden het altijd de anderen zijn die doodgaan. Het was niet zonder opluchting dat Mieke deze eeuwigheidsgedachte in zichzelf vaststelde.
WORDT VERVOLGD...


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten