35. DIEPGANG
De stralende zonneschijn, het tere windje, het fluiten van vogels, de geuren van bossen en heide, nodigden Joseph uit naar buiten te gaan. Een tijdje sloeg hij de omgeving gade; tot zijn speurdersinstinct het van zijn zintuigen overnam en hij onbeschroomd de sporen volgde over een met zonovergoten grasstrook naar het donkere naaldbos, waar zijn aanwezigheid minder opviel. Tussen sompige mossen, ondoordringbaar kreupelhout en moeilijk te begane stroken vol groene varens, vond hij een droog pad dat hij op goed geluk af volgde. In de verte weerklonk de machinezaag van een houtvester, maar op de plekken waar hij voorbijkwam, neigde het eerder naar onheilspellende stilte. Tenslotte bereikte hij een rijweg waarachter zich een vlakte van geel zand, helmgras en heide uitstrekte. Het leed geen twijfel dat hij hier voor de befaamde Kalmthoutse heide stond. Een poosje gunde hij zich de aanblik van dit stukje zeldzaam geworden, ongerepte natuur. Zoals de eerste de beste toerist pakte hij het fototoestel dat al die tijd voor zijn buik bungelde, draaide de zoomlens eraf en nam een kiekje. Hij herinnerde zich eraan waarom hij hier was. In de mening dat hij verkeerd zat, keerde hij op zijn stappen terug. Waar het pad zich splitste, nam hij de andere kant dan die waarlangs hij gekomen was.
Het viel hem op dat in dit deel van het bos heel wat van de hoge sparren waren omgezaagd, zodat op die open plekken ook andere soorten vegetatie een kans kregen. Als eerbetoon aan de schoonheid van een jonge eik, maar ook omdat het zonnetje in zijn nek scheen en hij op deze landerige zomernamiddag niets anders om handen had, maakte hij zijn broek open. Algauw stond hij de wortels van de eik te besproeien. DAn gebeurde het plotseling waarvoor hij al die tijd de oren had gespitst: een zwoele lach weerklonk van tak tot tak, als de lokroep van een verborgen vogel. Joseph verstijfde. Zoals een roofdier nam hij instinctief de houding van een meedogenloze jager aan. Zijn wapen, een fototoestel met telelens, was beslist niet onschuldig. Alles had hij ervoor over om raak te treffen: zowel de ziel van het slachtoffer, als zijn eigen ziel. Een zwiepende twijg, het breken van een takje onder zijn voet, elke onverhoedse beweging of geluid kon hem bij het besluipen van zijn prooi noodlottig zijn.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten