34.
‘Wat was dat?’ hoorde hij Armand geschrokken uitroepen.
‘Het fornuis! Wacht, ik draai het vuur uit.’
In het donker betastte Joseph het lemmet van een langwerpig hakmes waarover zich een plasje gevormd had. Hij nam een zakdoek, knoopte die omheen zijn handpalm.
Beneden klonk het getik van messen en vorken. Onder zijn glazen oog deed het paartje zich te goed aan biefstuk. De etensgeuren wekten zijn honger. Hij begreep dat hij nog lang geduld zou moeten oefenen. Al die oeverloze scènes betekenden niets. Om zijn knieën te sparen, ging hij op de rug liggen.
Terwijl een lichtspleet over zijn netvlies schoof en zijn adem en hartslag tot bedaren kwam, ontdekte hij een gat in zijn leven, een volstrekt niets. Dat was niet de eerste keer. Dagen of weken van innerlijke rust en harmonie, waarbij het leven gewoontjes voortkabbelde en er geen vuiltje aan de lucht hing, werden vaak abrupt afgebroken voor de val in een zwarte diepte. Zijn blik compleet gevuld met waanzin. Het gebeurde zelfs dat Joseph niet meer wist waarom hij naar huis reed. Dat hij een gezin had en een respectabel lid was van de samenleving, voelde aan als een menselijk web waarvan de geweven patronen hem dodelijk verstrikten. Dat hij elke dag opnieuw zijn weg vervolgde en niet de wijk nam naar een afgelegen melkwegstelsel, verklaarde juist zijn waanzin. Hij zat in een sleur. Het leven was te precies afgewogen en in maatjes onderverdeeld, de weg zolang op voorhand uitgestippeld, dat hij zonder enige verrassing al het einde kon voorspellen. In zijn bewustzijn rees onvermijdelijk de vraag: Is dat heus alles? En dan kwam de opstandigheid, maar tegelijk ook de verplettering, want hij zag geen alternatief, niets dat hem kon verlokken tot een breuk, zoals je soms hoorde als iemand voorgoed naar Mongolië trok of tussen de Papoea's ging wonen.
Lange tijd hoorde hij niets. Zijn glazen oog ontdekte een lege kamer. De zon scheen door het venster, strooide gele vlammen door de bos rozen die de minnaar voor haar had meegebracht. Ondanks de tussenkomst van zijn gezond verstand, dat hem aanmaande ter plaatse te blijven, kroop hij met handen als berenklauwen uit dit laatste hol, waarin hij liggend op de bodem zijn winterslaap had gehouden.
De etensresten lagen nog op tafel. Met de ogen naar de geopende deur, sneed hij een stukje vlees af op mevrouws bord. De biefstuk was koud; dus nam hij de braadpan en legde het vlees er opnieuw in. Van het andere bord pikte hij wat champignons mee. Met de pan op het vuur kreeg hij dra een smakelijk hapje. Terwijl het eten heerlijk over zijn tong gleed, staarde hij naar een stralend Kempisch hoekje buiten. Een stuk weiland met wat verder de donkere zoom van een naaldbos en hoog daarboven de beschenen randen van witte stapelwolken. Al dit moois trok hem niet uit zijn zwarte put. Het donker was in hem. Hij zou het altijd meenemen, overal waar hij kwam: het donker, en zijn twijfels, en zijn onvermogen om zich, zoals elke andere imbeciel, zonder vragen aan een normaal menselijk leven aan te passen.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten