door gast-auteur Robertus Baeken, vanuit de timmer-kamer...
34.
Ik was dodelijk nieuwsgierig. ‘En?…’
‘Er is niemand daarbinnen!’
‘Ga nog even zitten. Marie-Claire zal aanstonds komen! Wat heb je gezien?'
‘Niets! Stapels schoenendozen. En een levensgroot houten beeld van een vrouw, omwikkeld door kettingen.’
‘Kettingen?’
‘Kijk zelf, als je me niet gelooft!’
Dit kleine duwtje had ik precies nodig. Behoedzaam stapte ik naar de deur, luisterde even of er naderende voetstappen te horen waren en deed dan alsof ik, ongeduldig geworden, naar Marie-Claires komst uitkeek.
Aan de andere kant van de kamer was een deur in melkglas waarachter een zwak licht brandde en, voor zover ik kon zien, niets bewoog. Zoals ik halvelings had verwacht, bevond ik me in de salon. De gordijnen waren dicht maar lieten voldoende licht door om de kamer op te nemen. Behalve het beeld met de kettingen en, zoals Karl had gezegd, de stapels schoenendozen was er weinig dat de aandacht trok. Het meubilair, dat bestond uit een secretaire, een wandkast, twee met pluche beklede fauteuils, een canapé en een laag, rond tafeltje, was slechts een verzameling van burgerlijke kitsch, - niets van wat je bij een gewezen ambassadeur, of iemand die zijn leven lang opgravingen heeft verricht, zou verwachten.
Zelfs het beeld stelde weinig voor. Volgens mij was het een overblijfsel van een ouderwetse carrousel of het boegbeeld van een schip: een opzichtig geschilderd, halfnaakt vrouwmens dat misschien een engel moest voorstellen, maar me door de goedkope kleuren en haar frivole glimlach meer aan een prostituée deed denken; of aan een zeemeermin, ware het niet dat er onder het kleed rond haar middel een fraai stel benen tevoorschijn kwam. Enkel de ketting intrigeerde me. Waarschijnlijk was zij daar door de oude heer zelf aangebracht; alleen begreep ik niet waarom. De ijzeren schakels zaten verscheidene keren rond de nek gewikkeld. Vandaar hing de keten aan beide kanten bevallig naar beneden, waarna de uiteinden, als gevolg van een dubbele slag rond de polsen en een verbindend hangslot, strak tegen de buik spanden. Het was een lus die elke levende vrouw pijn zou doen, ook al kwam die last me tegelijk voor als iets dat zij moeiteloos van zich af zou kunnen werpen. Maar ook als sieraad vond ik het weinig geslaagd: er was iets lugubers aan, iets dat omringd werd door een beklemmende duisternis dat mijn geest, zolang hij verstoken bleef van de liefde op z'n Egyptisch, zeker nooit zou doorgronden.
Ik loerde naar de glazen deur, klaar om bij de minste beweging de plaat te poetsen. Maar voor dat nodig was, deed ik nog een vreemde ontdekking. Ik had een aantal schoenendozen opengemaakt; daarbij was voor mij net het vreemde dat er ook schoenen in zaten - damesschoenen nog wel - en geen zeldzame artefacten, zoals ik van een gewezen archeoloog eerder zou hebben verwacht. Ik had genoeg gezien en zette de dozen snel weer op hun plaats.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten