dinsdag 24 mei 2022

gast-auteur


DE TRAP

door gast-auteur Robertus Baeken, vanuit de timmer-kamer... 


36.
Daar kwam Marie-Claire reeds met twee doosjes van een banket­bakker. Eén ervan zette ze midden op tafel. ‘Voor jullie! Dan krijgt mijnheer het andere, straks na zijn dutje. Ik breng dit even weg!’

   Tegen dat Karl onze doos had opengemaakt, was Marie-Claire alweer terug. In één hand droeg ze een koffiekan, in de andere de fles cognac. Kopjes en glazen haalde zij uit een vitrinekast. Er bleken voor ieder twee roomsoezen in het doosje te zitten. Voor mij te veel van het goede. Ik stelde Marie-Claire voor er ook eentje te nemen.

   ‘Ik moet wel op mijn figuur letten,’ zei ze. Niettemin schoof ze een stoel bij en breidde het koffieservies tot voor drie personen uit.

   ‘Dus hij slaapt?’ zei Karl tussen zijn room­soezen in. ‘Heb jij het hier leuk, zeg! ‘k Wou dat ik in jouw plaats was! Af en toe de deur openma­ken en verder de hele dag gebak­jes eten. En waar­schijnlijk word je nog dik betaald ook?’

   Dat laatste was erg lomp van Karl, maar het kwam zo spontaan en informeel over dat Marie-Claire er niet eens door van de wijs gebracht werd en gewoon antwoordde. ‘Maar ik moet ook meer doen dan de voordeur openmaken.’

   ‘O ja? Wat nog?’ Ik was blij dat Karl de vraag stelde.

   ‘Mijnheer stelt zeer hoge eisen.’ 

   Er volgde een stilte waarbij ik de indruk had dat Marie-Claire aarzelend op het punt stond een geheim te verklappen, iets dat wellicht te maken had met het damesschoeisel en het beeld-met-ketting in de belendende kamer; maar op het laatste ogenblik scheen een vreesachtige terughoudendheid de doorslag te geven: zij slikte haar woorden in.

   Ik deed een ultieme poging om haar toch aan de praa­t te krijgen. ‘Welke eisen dan?’ Het was een waagstuk.

   Karl dacht dat ik haar niet had begre­pen. Hij profiteerde ervan om het woord te nemen. ‘Jij moet de pap ook altijd met de lepel in de mond krij­gen!’ De invloed van de drank werd nu onmiskenbaar. Zo rad van tong werd hij dat ik de van hem gewende, curieuze mengeling van opschep­perij en gewauwel niet langer kon aanhoren. Ik stond op om me met de krant te­rug te trekken.

   Mijn ogen vielen dicht. Toen ik na een korte pauze weer boven kwam, was Karl nog altijd tegen haar bezig. Hij zwaaide met de fles cognac; nog net handig genoeg om niet naast zijn glas te morsen. Dat het werk bleef lig­gen, kon me ook niks meer schelen. Mijn maat had gelijk. Ik stak hem mijn glas toe en trachtte het onder de heen en weer zwiepende halsope­ning te houden.

   Karl had het alsmaar over zijn liefje. Marie-Claire bekeek haar portret. Ik kon me het gezicht op de foto nog precies voor­stellen. Het was inderdaad een fel opgemaakte meid, en ik begreep dat hij niet over haar raakte uitge­praat. Maar op den duur werd het toch te gortig.

   ‘Ik zou niet alles geloven als ik jou was,’ gek­scheerde ik tegen Marie-Claire. ‘Het zou me niks verba­zen als hij deze foto uit een magazine heeft geknipt. En die praat van hem, dat is allemaal om zich ­interes­sant te maken.’ Ik meende elk woord dat ik gezegd had, on­danks de toon alsof het louter om een grapje ging.

   Karl had het juist aange­voeld. ‘Jaloerse bok!’ Tegelijk kreeg ik een klets cognac in het gezicht. Ik kon niet anders dan er hartelijk om lachen. En terwijl ik mijn gezicht droog veegde: ‘Wacht tot ik haar aan je voorstel. Dan zal je anders praten!’

   Ik opende mijn ogen en zag Karl onwel worden. Kwam mis­schien door zijn onstuimigheid. Hij zette zich schrap om ter plaatse over te geven, en even had ik verwacht dat dit ook zou gebeuren. Ge­lukkig liet hij enkel een zware boer. ‘Ik ga maar eens naar beneden,’ zei hij, en stond waggelend op.


(WORDT VERVOLGD...)


Geen opmerkingen: