Middag. Eens wij onze boterhammen achter de kiezen hadden, verdween mijn maat naar de wc op het gelijkvloers. Het was muisstil in het trappenhuis. Terwijl ik, zoals meestal rond dat tijdstip, de krant doornam, kwam ik in de ban van een nog niet eerder bedachte mogelijkheid. Ik zat op de hoogste trede, op slechts enkele meters van de oplichtende spleet onder de deur en betrapte me erop dat ik het dagblad geruisloos dichtvouwde, opstond en me op voorzichtige tenen naar de overloop begaf. Niemand zou mij horen. Het was zo stil dat ik erop rekende bij het geringste naderbij komend gerucht tijdig de plaat te kunnen poetsen.
De vraag om met mijn patroon te telefoneren, leek me een geschikt middel om me uit de slag te trekken, mocht ik eerder verrast worden. Ik kon Vogel eender welke smoes op de mouw spelden. Zo was het een kleinigheid om het blad in de decoupeerzaag moedwillig stuk te breken en mijn baas voor het vinden van een reservedeel, om raad te vragen. Met die uitvlucht in petto bracht ik mijn oog voor het sleutelgat. Onder de tafel door kijkend ontdekte ik Vogels lege fauteuil met daarnaast de houten voet van de manshoge schemerlamp en de roerloze schaduw van een rechthoekig meubel - misschien van een tafeltje, of zitbank. De kamer leek me leeg.
Gewapend met mijn smoes draaide ik zowaar de klink om en wandelde naar binnen. Wat vreemd! Eens in de kamer was het of ik niet meer wist wat ik er kwam uitspoken. En opeens raakte ik in paniek. In het schemerdonker trof ik een met rood fluweel beklede deur waaronder ook weer een lichtstreep vandaan kwam. Als iemand die door zijn eigen obsessie wordt opgevreten, kwam ik terecht in een soort trance of fluïdum waarin, naar het mijn verhitte geest toescheen, ik geen zwaartekracht, geen lucht, zelfs geen licht of donker meer kon onderscheiden. Alleen ervaarde ik eventjes Maries-Claires stem als de doffe aanraking van mijn voorhoofd tegen het rood fluweel. Ik wist niet wat achter die deur gaande was, maar het moest te maken hebben met mijn eigen afgronden, waarin eendere onverstaanbare stemgeluiden en door duisternis overtrokken beelden aanwezig waren. Ik dacht aan 'de liefde op zijn Egyptisch' - hoererij die me voor raadsels stelde. Want alles buiten deze kamer - het dagelijkse leven dat binnen een radius van hier tot Saint-Quentin zijn gang gaat, - kende ik al. Iets zei me dat ik op het punt stond de ontdekking van mijn leven te doen. Maar juist dan haalde mijn angst voor de waarheid het van mijn nieuwsgierigheid en fantasie.
Heimelijk hoopte ik dat Karl beneden door zou spoelen, zodat ik onverwijld gedwongen werd de kamer te verlaten. Het schoot me zelfs te binnen dat ik eens als knaap in een bijna gelijkaardige situatie voor de toilettafel van mijn moeder had gestaan, en hoe ik gebiologeerd werd door het poederdons in mijn handen, de lipstick waarvan ik een beetje rood aan mijn vingertoppen smeerde, de flesjes reukwater, de zwoele slaapkamergeur: allemaal aanduidingen van een wereld die me opwond, aantrok, maar me tegelijk beangstigde. Dat jongetje had die plek nooit verlaten. Steeds nog balanceerde het tussen de realiteit en het dromen erover, en steeds nog als het tussen beide voor een definitieve keuze stond, week het een stap terug en vluchtte weg.
Hoe vreselijk ik ook overstuur was, Karl merkte er niks van.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten