Blijkbaar zat Vogel inderdaad enkel met Marie-Claire in zijn hoofd. Want terwijl ik erover peinsde hoe ik het gesprek in haar richting zou ombuigen, merkte hij op dat haar echtgenoot waarschijnlijk naar het ziekenhuis was gevoerd, wat volgens hem meteen haar afwezigheid verklaarde. 'We zullen het gauw weten,' besloot hij. 'Neem de eerste straat links. We zijn er!'
De oude heer gaf me aanwijzingen om de auto te parkeren. Daarna wrong hij zich klungelig naar buiten. 'Blijf jij hier zolang wachten!’
Hij stak de straat over. Het flatgebouw waar hij aanbelde, zou me tussen de andere huizen waarmee het een aaneengesloten rij vormde, nooit zijn opgevallen. Terwijl hij stond te wachten, zag ik op de eerste verdieping een gordijn bewegen en daarachter vaag iets bij het venster komen: het gezicht van een man of vrouw; twee loerende ogen, pal naar beneden gericht.
Nadat Vogel een tweede keer had aangebeld, week hij ongeduldig enkele stappen achteruit om naar boven te kijken. Maar net tevoren had de gedaante zich weer van het raam verwijderd, zodat op die plaats niets anders te zien was dan de roerloze gordijnen. Het heertje bleef hardnekkig op de bel drukken. Maar er bewoog niets meer, en ook de voordeur bleef gesloten. Tenslotte gaf hij het op en keerde onverrichterzake terug.
'Heb jij iets opgemerkt?'
'Helemaal niks!' Mijn jammerlijke toon overtuigde hem van mijn medeleven.
Mompelend stapte hij weer in. 'Terug dan maar!'
Onderweg wisselden we de hele tijd geen woord. Ik begreep dat hij diep teleurgesteld was en geen zin meer had om te praten. Daarom verbaasde het me toen bleek dat hij zijn ontgoocheling niet langer kon bedwingen. Ter hoogte van de Sint-Pauluskerk smeet hij het er eensklaps uit dat zij een spelletje met hem speelde en hem nu lang genoeg voor de gek had gehouden.
'Natuurlijk was ze thuis!' zei hij, alsof hij het niet nodig had haar daarvoor eerst bij het venster te zien. En een beetje wanhopig: 'Volgende keer zal ik het beter aan boord leggen!'
Dit was een gelegenheid om iets over zijn relatie met Marie-Claire los te peuteren. 'Wat bedoelt u? Beter aan boord leggen?'
Eigenlijk had ik een ontwijkend antwoord verwacht, maar blijkbaar had hij zijn gemoed nog niet volledig gelucht, want zeer tot mijn verrassing antwoordde hij: 'Ik ben gewoon te openhartig geweest, en te oprecht! En daarvoor word ik nu afgestraft! Aan vrouwen mag je geen duimbreed toegeven. Weliswaar geven zij de schijn van onderworpenheid, maar dit is enkel een trucje om ons, onnozele mannen, in de val te lokken. Geloof me, flink wat peper in de kont en af en toe een pak ransel, dat is alles wat die wijven nodig hebben!'
Zo'n taal had ik van een stijve hark als hij niet verwacht. Ik schreef het toe aan zijn opgekropte woede; al was het natuurlijk best mogelijk dat zijn beeld van de vrouw door het jarenlange verblijf in landen waar een vrouw haast gelijkgesteld wordt met een lastdier, danig misvormd was.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten