donderdag 7 september 2023

GAST-AUTEUR


EERSTE LUIK: DE FEITEN
Hoofdstuk 1: EERSTE HOOFD

Het hoofd stak in een blauwe plastic zak en hoorde toe aan mevrouw Derycke. De zak lag in een droge grep­pel aan de rand van een bos, waar spelende kinderen hem hadden gevonden en opengemaakt.
   Isabelle had net het bad laten vollopen toen Jespers hem hierover opbelde. ‘Kom jij meteen naar hier?’
   Joseph zag zijn vrouw met de handpalm op tafel bezig aan de laatste fase van haar opmaak: het lakken van haar vingernagels. Hij probeerde een verontschuldigende toon. ‘Ik moet eventjes naar Wuustwezel, - het poli­tiekantoor! Laat het water er gewoon in.’
   ‘Wuustwezel? Oei, we zul­len weer te laat komen! We komen altijd te laat; altijd als er iets leuks te doen is!’
   ‘We hebben nog twee uur! Tot seffens!’ Hij had er een hekel aan dat Isabelle haar stem verhief. Het beste was er snel vandoor te gaan. Ook om tijd te winnen.
   ‘Wanneer was jij dan je haar?’ riep ze aan de deur, terwijl hij al in de auto stapte. Jawel, hij had het begrepen! Met een knikje kreeg zij toestemming straks zijn haar te föhnen om er het veel besproken lokje in te leggen, - het Carlyle-lokje!
   Joseph had erop gerekend snel ter bestemming te zijn. Jammer genoeg hield de slakkengang van een tractor hem vanaf Brecht tot Wuustwezel op. Daardoor kwam hij twintig minuten te laat. Van een agent vernam hij dat Jespers bij het zien van het hoofd onwel geworden was. Een man in burger nam Joseph mee naar een twee­de kantoor. Bij het binnenkomen ontmoette hij de ijskoude blik van de oude heer Derycke. Hij zat bij het venster een sigaret te roken.
   Alsof hem precies was uitgelegd wat hij moest doen, stapte Joseph naar een bak in witte kunststof, zoals in slachthuizen wordt gebruikt om organen in op te vangen. Hij had zich al op een innerlij­ke schok voorbereid; des te meer bevreemdde het hem dat hij, toen hij van vlakbij in het gezicht van mevrouw Derycke keek, weinig voelde. In plaats van het afgrijzen dat hij zich had voorge­steld, was hij eerder geneigd het hoofd, dat overi­gens geen spoor van geweld vertoonde, zachtjes toe te spreken. ‘Het spijt me, Kitty. Wat een schurken toch!’ De onuit­gesproken woorden echoden in zijn hoofd en hij verbaasde zich over de stilte rond haar door gitzwarte lokken omge­ven, bijna ethe­risch ge­zic­ht. Met spijt omdat er een mooie vrouw op de wereld min­der was, richtte hij zich tot de man naast hem. ‘Mevrouw Derycke, inderdaad!’ Zijn ogen dwaal­den af naar de plastic zak naast de bak. ‘Wie bent u?’
   ‘Frank Detiège, adjunct van onderzoeksrechter Léon Malky. ‘Vreemd dat er aan de hals zo weinig bloedsporen zitten. Van haar echtge­noot vernam ik dat u de opdracht had haar te schaduwen! U mag vrijuit spreken.’ De adjunct wees hem een stoel aan en ging zelf naast Derycke zitten, zodat Jo­seph er niet onderuit kon de man te condo­leren. Dat diens vrouw nu dood was, verminderde zijn aversie voor hem niet.

(WORDT VERVOLGD...)

Geen opmerkingen: