12.
Naarmate het wachten duurde en Joseph zich realiseerde dat Harry evenmin aan de tijd ontsnapte, kwam hij met iedereen op gelijke hoogte. Neem vijftig jaar, dacht hij, of in het gunstigste geval zestig: de vloed van de tijd zal onze kastelen op het strand, onze ijdele hoopjes, onze liefdesverklaringen en al het andere lijnenspel in het zand wegspoelen, zodat de volgende generatie opnieuw kan beginnen.
Harry's kraakstem beantwoordde hij met een vraag. ‘Heb je het al vernomen?’
‘Van Carlyle Hopper? Jazeker! De curator had me vanmorgen op de hoogte gebracht.’
‘Ik moest het aan iemand kwijt. En ik dacht het eerst aan jou!’
‘Waarschijnlijk zelfmoord! Ik moet nog dertigduizend van hem. En ik kom pas op de zesde plaats.’
‘Dus hij was bankroet!’
‘Hij had geen cent meer. Al mijn hoop is nu gesteld in het vastgoed. Ik mag al tevreden zijn als ik de helft terugkrijg.’
Na deze woorden opende zich voor Joseph een gat van stilte waarbij hij zich ongemakkelijk voelde, temeer daar hij de hoorn niet zomaar kon inleggen. Zijn vermeende ontmoeting met Carlyle bood hem een amusante anekdote: uitstel dat tegen het droeve nieuws moest ingaan.
Dat Harry het voorval ernstig zou nemen, had hij niet verwacht. ‘Over welke bank in Sint-Niklaas heb je het? Weet je nog het uur? Wacht, ik noteer alles.’
Nu ontdekte Joseph in het gapen van de stilte een mengsel van onbeholpenheid en schroom, wat hem er als een vanzelfsprekendheid voor behoedde ongevraagd in andermans privéleven binnen te dringen. In het geval Harry bleek dat fijngevoelige overbodig. Op de bodem van de stilte waar hij, zo niet eerbied en consideratie, toch wel ontzetting had verwacht, weerklonk het onverschillige krassen van een pen. Het ging hier over vastgoed. Het speet hem dat hij Harry had opgebeld. Men moet een zakenman tijdens zijn berekenend geschrijf niet met sentimenten lastigvallen.
Tijd om het gras te maaien.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten