36.
Na al het geduld dat hij bij de geleidelijke vooruitgang had geoefend, kreeg hij de beoogde taferelen eindelijk in zijn objectief. Deels verbaasd drukte Joseph op de neutrale knop. Geen oorverdovende knal! Geen in het rond spattend bloed, geen opvliegende vogels of uiteenstuivende beesten! Dit had uitsluitend met zijn innerlijk te maken, met de moord op een onschuldig dierlijk tafereel. Menselijke passies zouden door zijn tussenkomst een andere bestemming krijgen, konden spoedig ontaarden tot de handelingen in een hoerenkast. Zijn opnamen zouden in de privé-map van een viespeuk terechtkomen om aan diens uren van dodelijke verveling een einde te maken. Zij konden door God weet wie bepoteld worden; misschien zelfs op de schrijftafel van een politiecommissariaat eindigen. En elke hypocriete voorbijganger, van agent tot rechter, zou dit overspelige paartje streng veroordelen.
Joseph probeerde deze nare nevengedachten van zich af te schudden. Om een onverklaarbare reden had hij het gevoel dat het onzichtbare gat dat zich altijd onaangekondigd op zijn levensweg voor de voeten had geopend, door het vastleggen van dergelijke intimiteiten, in zijn volle omvang aan hem zou worden geopenbaard. Zonder dit had hij deze opdracht nooit aanvaard. De beelden die hij schoot, lieten geen ruimte voor dromerijen. Het gat in hem was simpelweg een valkuil, een vals mysterie. Overal had hij te doen met bekend feitenmateriaal. Met een stok kon hij elke diepgang meten. Met een zaklantaarn kreeg hij een idee hoe de zwartste bodem eruitzag. Ontluisterend was het, maar in zekere zin ook leerzaam. Wrang was het, en pijnlijk, maar om dezelfde reden ook helend, en dus zinvol.
Met de neus tussen de graspollen, werd zijn aandacht getrokken door het bewegen van een rups over een gedroogde halm. Hij zag hoe los van zijn overwegingen, elk levend wezen zijn eigen bestemming volgde. Daarmee hielp de rups ook hem over zijn laatste twijfels heen kruipen. Hij borg zijn camera op. Dan gebeurde er iets onverwachts: achter de volgende struik moest hij niezen. Hoewel hij zijn hand tijdig voor de mond had gehouden, was ‘t hem niet gelukt de galm volledig te smoren. Hij hoorde Armand gealarmeerd opspringen en de omgeving uitkammen, terwijl het vrouwtje juist alle moeite deed hem gerust te stellen. ‘Waarschijnlijk een gaai! Of zo’n zwart witte secretarisvogel! Ik heb ‘m zien vliegen. Kom!’ Zij trok haar minnaar bij de arm, zoende zijn nek, zodat hij bleef staan en spoedig afgeleid werd. In detail zag Joseph hoe de minnaar zijn hand weer achter haar slipje schoof en zich door haar liet meelokken.
(WORDT VERVOLGD...)


























Geen opmerkingen:
Een reactie posten